Verzoeker heeft de rechtbank gevraagd om gerechtelijk vast te stellen dat de overleden man, geboren in 1960 en overleden in 2019, zijn biologische vader is. De rechtbank wees dit verzoek af, onder meer omdat het verzoek om DNA-onderzoek werd afgewezen. Verzoeker ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
In hoger beroep heeft het hof het bewijs opnieuw gewogen. Omdat DNA-materiaal van de overleden man niet beschikbaar was, is de verwantschap tussen verzoeker en diens oom vastgesteld via een DNA-onderzoek. Dit onderzoek toonde aan dat de oom daadwerkelijk familie is van verzoeker, wat impliceert dat diens broer, de overleden man, de biologische vader moet zijn.
Daarnaast heeft de moeder van verzoeker schriftelijk en mondeling verklaard dat de overleden man de biologische vader is en dat zij geen andere partners had in de conceptieperiode. Foto’s en verklaringen ondersteunen dit beeld. Het hof acht deze bewijzen voldoende en wijst het verzoek toe.
Verder heeft verzoeker verklaard dat hij de geslachtsnaam van zijn vader wenst te dragen, wat het hof ook vaststelt. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het vaderschap wordt gerechtelijk vastgesteld.