Uitspraak
1.de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V.
2.de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V.
1.Een veiligheidsstudie is geen maatregel zoals bedoeld in het BRZO 1999
2. Niet kan worden bewezen dat [bedrijf 1] ‘duidelijk onvoldoende’ maatregelen heeft getroffen
3. Er was geen exploitatieverbod uitgevaardigd door een bevoegde autoriteit en dat is wel een voorwaarde om te kunnen bewijzen dat is gehandeld in strijd met artikel 23 BRZO Pro 1999
4.Overige verweren ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde
5.Overige verweren ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde
- [bedrijf 1] heeft (onderdelen van) de inrichting in werking gehouden terwijl zij duidelijk onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van zware ongevallen of ter beperking van de gevolgen daarvan;
- door [bedrijf 1] zijn van 75% van de bij haar aanwezige installaties de gevaren niet geïdentificeerd en de risico’s op zware ongevallen niet beoordeeld;
- [bedrijf 1] begint met de realisatie van nieuwe installaties zonder dat de veiligheidsstudies ten behoeve van die installaties zijn afgerond.
- bij de veiligheidsstudie ten aanzien van de opslagtank van de stof diethyleentriamine (installatiedeel Q006) zijn niet alle door [bedrijf 1] vastgelegde gidswoorden gebruikt, waardoor [bedrijf 1] niet kan aantonen dat zij alle gevaren heeft onderkend;
- de veiligheidsstudie met betrekking tot de Cocon 1000 is niet uitgevoerd volgens de door [bedrijf 1] vastgelegde werkwijze, aangezien er geen brainstormsessie heeft plaatsgevonden in het kader van het opstellen van deze veiligheidsstudie;
- in de veiligheidsstudie ten aanzien van de opslagen 47000 zijn niet alle gevaren en de gevolgen daarvan door [bedrijf 1] meegenomen. Daarbij komt dat de gidswoorden die bij deze studie zijn gebruikt niet gelijk zijn aan de gidswoorden in de Hazop-studie. Gelet op het voorgaande heeft [bedrijf 1] ook voor wat betreft de veiligheidsstudie van de opslagen 47000 niet gewerkt volgens haar eigen procedure.
- niet alle gidswoorden zijn gebruikt voor alle nodes;
- het gevaar van opsluiting van vloeibare gevaarlijke stoffen in leidingen niet altijd is onderkend;
- er niet is gewerkt volgens de door [bedrijf 1] opgestelde procedure.
- zoals ook al blijkt uit het voorgaande, heeft de Inspectie SZW op 4 en 5 maart 2014 vastgesteld dat van ongeveer 75% van de bij [bedrijf 1] aanwezige installaties waarbij met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt nooit een veiligheidsstudie is uitgevoerd. Na 5 maart 2014 heeft [verdachte] - zo begrijpt het hof - de installaties waarbij geen veiligheidsstudie was uitgevoerd niet stilgelegd omdat [bedrijf 1] zich op het standpunt stelde dat aan alle eisen werd voldaan met betrekking tot de risico-identificatie van de installaties;
- [verdachte] heeft verklaard dat hij bevoegd is om installaties stil te leggen;
- [verdachte] was ervan op de hoogte dat de samenvatting Brandbaarheid en Giftigheidindex (BGI) is opgesteld in het jaar 2012. In deze samenvatting staat vermeld voor welke installatie ooit een veiligheidsstudie is uitgevoerd en voor welke niet;
- de verschillende handhavingsbrieven die door de Inspectie SZW zijn verstuurd zijn allemaal gericht aan de directie van [bedrijf 1] . In zijn rol als manager director is [verdachte] aanwezig geweest bij de verschillende inspecties die bij [bedrijf 1] hebben plaatsgevonden. [verdachte] had ook kennis kunnen nemen van de opgemaakte inspectierapporten;
- op 21 januari 2014 is door de Inspectie SZW geconstateerd dat [bedrijf 1] geen actuele integrale veiligheidsstudie heeft uitgevoerd voor wat betreft de adductreactoren. Op 22 januari 2014 hebben de arbeidsinspecteurs [arbeidsinspecteur 2] en [arbeidsinspecteur 1] mondeling aan [verdachte] laten weten dat dit een overtreding is van artikel 5, derde lid, van het BRZO 1999. Vervolgens is een handhavingstraject gestart. Dit is kenbaar gemaakt per brief van 6 februari 2014. Deze brief was gericht aan de directie van [bedrijf 1] . Gelet op het voorgaande had [verdachte] kunnen weten dat het niet hebben van een actuele veiligheidsstudie een overtreding was;
- uit het verslag van de managementvergadering van 30 januari 2014 blijkt dat [bedrijf 1] enkele belangrijke acties, zoals het uitvoeren van veiligheidsstudies, heeft uitgesteld. [verdachte] was aanwezig bij deze vergadering en hij was hier dus van op de hoogte. Naar aanleiding van deze managementvergadering heeft [verdachte] geen installaties stil gelegd waarbij geen veiligheidsstudie was uitgevoerd.
- de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was;
- de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd.
1.de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V.
1 januari 2013 tot en met 11 april 2014,
,
,
of een onderdeel daarvanin werking heeft gehouden,
, althans een of meer onderdelen daarvan,
/warenzonder dat voor een groot aantal (ongeveer 75%) van de in die inrichting aanwezige installaties met gevaarlijke stoffen een (deugdelijke/volledige) veiligheidsstudie was uitgevoerd en/of de aanwezige risico’s (afdoende) waren herkend en (voldoende) werden beheerst,
en/of kenden de
tot dat feit of die feiten opdracht heeft gegeven en/offeitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);
2.de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V.
,
,
(tot 21 januari 2014
) geen, althansonvoldoende maatregelen had getroffen om te voorkomen dat ethyleenoxide explosief kon ontleden;
(op
1 april 2014 en/of11 april 2014
)binnen voormelde inrichting werd gewerkt in strijd met de (eigen) opgestelde procedures;
/ofde beoordeling van de risico’s van zware ongevallen en de ongewenste gebeurtenissen die tot zware ongevallen kunnen leiden die zich bij normale en abnormale werking kunnen voordoen en
/ofde beoordeling van de kans op en de omvang van die ongevallen
niet, althansonvoldoende, vastgelegd in procedures;
tot dat feit of die feiten opdracht heeft gegeven en/offeitelijke leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging
(en
).
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.