Betrokkene werd in hoger beroep geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Hoewel hij verklaarde alleen hennep te hebben gekweekt voor het maken van hennepolie voor zijn zieke familieleden, achtte het hof deze verklaring niet aannemelijk.
De politie trof op 20 juni 2016 drie kweekruimtes aan met 43 hennepplanten en 660 gram gedroogde toppen. Betrokkene werd veroordeeld voor deze feiten, maar vrijgesproken van voorbereidingshandelingen voor grootschalige hennepteelt. Het hof paste de schatting van het wederrechtelijk voordeel aan omdat het ontnemingsrapport onvoldoende onderbouwd was, met name vanwege het ontbreken van stroomverbruiksgegevens.
Het hof sloot aan bij de verklaring van de vriendin van betrokkene, die aangaf dat betrokkene al vijf jaar twee à drie keer per jaar oogstte. Het hof rekende met negen oogsten van elk 43 planten, wat resulteerde in een netto wederrechtelijk voordeel van €35.363,99. Dit bedrag werd opgelegd als betalingsverplichting aan de Staat.
De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en het arrest van de Hoge Raad uit 2007 betreffende de schatting van wederrechtelijk voordeel. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.