AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging boete voor parkeren op laad- en losplaats ondanks laden en lossen
De betrokkene kreeg een boete van €95,- voor parkeren op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen. De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie wegens schending van de hoorplicht, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. De betrokkene ging in hoger beroep en voerde aan dat hij wel degelijk aan het laden en lossen was, ondersteund door een getuigenverklaring.
Het hof overwoog dat de ambtenaar gedurende tien minuten geen laad- en losactiviteiten had waargenomen, wat de vereiste onmiddellijkheid ontbrak. Hoewel de betrokkene goederen afleverde en meenam, nam het heen en weer lopen tussen het voertuig en de bestemming ongeveer vijf minuten in beslag, terwijl de ambtenaar tien minuten geen activiteit zag. Hierdoor was sprake van parkeren en niet van onmiddellijk laden of lossen.
Het hof hechtte geen doorslaggevende waarde aan de getuigenverklaring, omdat de waarneming van de ambtenaar niet werd weersproken en de tijdsduur van het lopen en laden/lossen niet overeenkwam met de vereiste onmiddellijkheid. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €95,- voor parkeren op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.283.088/01
CJIB-nummer
: 229500434
Uitspraak d.d.
: 7 juli 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2020, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding alsmede om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Op 8 juni 2021 zijn door de advocaat-generaal nog een kopie van het brondocument met daarbij foto’s van de gedraging overgelegd, in afschrift doorgezonden aan de gemachtigde van de betrokkene.
De zaak is behandeld op de zitting van 23 juni 2021, waar de gemachtigde van de betrokkene is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie vernietigd vanwege schending van de hoorplicht.
2. De gemachtigde is het met deze beslissing niet eens en stelt zich op het standpunt dat de - overigens terecht - geconstateerde schending van de hoorplicht ook dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. Hiertoe wordt aangevoerd dat het administratief beroep is afgedaan zonder de essentiële rechten van de betrokkene te respecteren en dat dit verzuim - vanwege het feit dat de officier van justitie een ruimere bevoegdheid dan de rechter heeft om tot vernietiging van sanctiebeschikkingen over te gaan - enkel kan worden hersteld indien de zaak wordt teruggewezen naar de officier van justitie. Nu de Wahv in die mogelijkheid niet voorziet, is de betrokkene in zijn verdedigingsbelangen geschaad, hetgeen vernietiging van de inleidende beschikking rechtvaardigt.
3. Het verweer faalt. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat de schending van de hoorplicht door de officier van justitie niet leidt tot vernietiging van de inleidende beschikking waarbij een ambtenaar een sanctie heeft opgelegd. De schending van de hoorplicht door de officier van justitie betreft de totstandkoming van de beslissing op het administratief beroep tegen de inleidende beschikking en is geen verzuim dat de inleidende beschikking zelf betreft.
4. Hetgeen overigens is aangevoerd, richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 oktober 2019 om 14:56 uur op de Naaierstraat in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de betrokkene aan het laden/lossen was, hetgeen wordt ondersteund door de bijgevoegde getuigenverklaring. De betrokkene moest goederen afleveren bij een vestiging van [naam2] . Hij heeft hiertoe het voertuig op de betreffende plek neergezet, is gaan lopen en moest daarna ook weer goederen meenemen. Het kan zijn dat er om die reden enkele minuten geen activiteiten bij het voertuig te zien waren. De tien minuten waarover de ambtenaar spreekt, lijkt aan de lange kant en betreft hoogstwaarschijnlijk een standaard tekstblok. Het genoemde laden/lossen valt - ook als het een stuk lopen is naar de bestemming - onder het onmiddellijkheidsvereiste, aldus de gemachtigde. De bestuurder heeft de ambtenaar van een afstand bij het voertuig gezien, maar de exploitant van de pizzeria verzekerde hem dat er geen problemen van zouden komen. Ter zitting heeft de gemachtigde zich voorts nog op het standpunt gesteld dat de foto’s van de gedraging dusdanig laat in het geding zijn gebracht dat daarvoor toekenning van een punt aan proceskostenvergoeding op zijn plaats is. Immers was hierdoor in de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter sprake van een onvolledig procesdossier. Veroordeling van de advocaat-generaal in het vergoeden van proceskosten om deze reden zal bovendien voor het openbaar ministerie een extra prikkel opleveren om dergelijke informatie in de toekomst eerder in het geding te brengen.
6. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal merkt omtrent het verweer van de gemachtigde - en in aanvulling op het ingediende verweerschrift - ter zitting nog op dat, hoewel laat in het geding gebracht, ieder van de procespartijen thans in bezit is van de foto’s van de gedraging en dat aan het enkele feit dat de foto’s pas in hoger beroep zijn overgelegd geen gevolgen hoeven te worden verbonden, nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie reeds heeft vernietigd. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft daarbij ter zitting nog meerdere plattegronden en uitdraaien van Google Maps (Streetview) overgelegd waarop de situatie ter plekke is te zien en waarop een plek voor laden/lossen is te zien die dichterbij de betreffende pizzeria is gelegen. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal wijst erop dat ook op die plek geparkeerd had kunnen worden.
7. De gemachtigde van de betrokkene heeft in reactie hierop ter zitting naar voren gebracht dat het aannemelijk is dat die plek voor laden/lossen bezet was op het moment van de onderhavige gedraging, omdat de bestuurder het voertuig anders daar had neergezet.
8. De onderhavige gedraging betreft een vermeende overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990:
“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
(f.) op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen”.
9. Niet in het geding is dat het voertuig van de betrokkene op een dergelijke gelegenheid stond op de Naaierstraat in Gouda. Dit volgt ook uit de in hoger beroep overgelegde foto’s van de gedraging. Hetgeen de gemachtigde omtrent de schending van de op de officier van justitie rustende informatieverplichting naar voren heeft gebracht, treft geen doel. Deze verplichting is weliswaar geschonden doordat de foto’s van de gedraging pas in de hoger beroepsfase in het geding zijn gebracht, maar dit leidt niet tot vernietiging van de inleidende beschikking, te meer nu hetgeen op die foto’s zichtbaar is niet wordt betwist en de foto’s van de gedraging in het kader van de beoordeling van de onderhavige zaak derhalve niet van belang zijn. In het licht van het verweer van de gemachtigde betekent dit dat de betrokkene niet in diens verdedigingsbelangen is geschaad door de schending van de informatieverplichting.
10. Gelet op het verweer van de gemachtigde ziet het hof zich voorts voor de vraag gesteld of sprake was van laden en/of lossen van goederen, dan wel van parkeren.
11. Artikel 1 vanPro het RVV 1990 verstaat onder parkeren: “Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”
12. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen moet worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760). Het dient dan te gaan om goederen die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht (HR 10 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AJ4297). Vastgesteld moet worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om de zaken uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven (Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2015:7639). Het ligt op de weg van een betrokkene om aannemelijk te maken dat van laden of lossen - als uitzondering op parkeren - sprake is.
13. Uit de verklaring van de ambtenaar zoals die is opgenomen in het zaakoverzicht volgt dat gedurende een tijd van ongeveer tien minuten geen activiteiten rondom het betreffende voertuig zijn waargenomen.
14. De gemachtigde heeft in hoger beroep een op 21 oktober 2020 gedateerde getuigenverklaring overgelegd van de heer [naam3] , eigenaar van [naam2] te Gouda, waarin het volgende is opgenomen:
“Hierbij wil ik verklaren dat ik, [naam3] , eigenaar ben van [naam2] gevestigd te Gouda. Zie hierbij een uittreksel Kamer van Koophandel. Op 17 oktober 2019 omstreeks 14:45 uur kwam de heer [betrokkene] mij helpen met het laden en lossen van goederen. Zo moesten er zware treeën frisdrank worden afgeleverd bij mij. De auto stond zo’n 200 meter verderop, omdat daar de dichtstbijzijnde laad -en losgelegenheid is (achter de Albert Heijn). De tijd dat heer [betrokkene] bezig is met het heen en weer gaan, valt uiteraard ook onder het laden/lossen. De heer [betrokkene] vertelde mij tijdens het lossen dat een handhaver foto’s aan het maken was van zijn auto. Daarop heb ik hem aangegeven dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, omdat het laden en lossen is toegestaan. Daar is de parkeergelegenheid nu juist ook voor bedoeld. De heer [betrokkene] heeft vervolgens grote afvalzakken mee teruggebracht naar zijn voertuig en toen was de handhaver al weg. Ik heb begrepen dat de handhaver ongeveer 10 minuten niks zou hebben waargenomen. Die 10 minuten is wel heel ruim genomen, maar dat hij enkele minuten geen activiteiten heeft waargenomen, kan kloppen. Dit komt omdat de heer [betrokkene] niet alleen goederen heeft gebracht, maar ook weer moest meenemen. Dit valt allemaal nog onder het laden/lossen. De heer [betrokkene] heeft dus onterecht een bekeuring gehad.”
15. Het hof overweegt geen reden te hebben om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar waaruit volgt dat tien minuten geen laad- en losactiviteiten rondom het voertuig zijn waargenomen. Dit brengt in beginsel reeds mee dat van de vereiste onmiddellijkheid geen sprake meer is. Dat kan anders zijn indien de gemachtigde aannemelijk maakt dat er meer tijd nodig is geweest voor het afleveren van de goederen.
16. Hoewel het hof wil aannemen dat zware treeën frisdrank bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gebracht, is geen sprake van het onmiddellijk bij voortduring lossen van goederen. Het hof overweegt hiertoe dat, zelfs als er vanuit wordt gegaan dat de dichtstbijzijnde gelegenheid voor laden/lossen op een afstand van 200 meter ligt, de duur van deze wandeling - uitgaande van een gemiddelde wandelsnelheid van 5 km/h - 2,4 minuten is. Heen en weer lopen tussen het voertuig van de betrokkene en de [naam2] zou dan - in combinatie met het afleveren en weer meenemen van goederen - ongeveer vijf minuten in beslag hebben genomen, terwijl de ambtenaar heeft waargenomen dat tien minuten geen activiteiten zijn waargenomen rondom het voertuig. Dat er enkel sprake was van het lossen en laden van goederen acht het hof dan ook niet aannemelijk.
17. Het verweer van de gemachtigde en de getuigenverklaring geven het hof geen aanleiding aan vorenomschreven waarneming van de ambtenaar te twijfelen, te meer nu de gemachtigde en de getuige spreken over een tijd van enkele minuten, terwijl daarvan reeds vanwege de afstand tussen de gelegenheid en de [naam2] met de daarbij behorende wandelduur geen sprake kan zijn. Het hof zal aan die getuigenverklaring dan ook geen doorslaggevende betekenis toekennen. Voorgaande betekent dat van de vereiste onmiddellijkheid geen sprake is, dat sprake is van parkeren en dat de onderhavige gedraging is verricht.
18. Voorgaande houdt in dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren en dat die beslissing zal worden bevestigd. Aanleiding tot het toekennen van een proceskostenvergoeding is er - mede gelet op hetgeen onder .9 is overwogen - niet.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.