ECLI:NL:GHARL:2021:457

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
19 januari 2021
Zaaknummer
200.219.397
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:89 BWArt. 3:13 BWArt. 6:2 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomst vernietiging door niet-handelende echtgenoot en gevolgen redelijkheid en billijkheid

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de effectenleaseovereenkomst, gesloten door appellante, vernietigd kon worden door haar niet-handelende echtgenoot. Het hof heeft geoordeeld dat de bescherming van de niet-handelende echtgenoot en het gezin, zoals bedoeld in de artikelen 1:88 en 1:89 BW, prevaleert boven de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW Pro). Dexia stelde dat deze beperkende werking en misbruik van bevoegdheid het beroep op vernietiging in de weg stonden, maar dit werd door het hof verworpen.

Het hof overwoog dat de omstandigheden waaronder de echtgenoot mogelijk in de nabijheid van appellante was tijdens het sluiten van de overeenkomst onvoldoende waren om het beroep op vernietiging te weerleggen. Tevens was het kenbaar voor Dexia dat de overeenkomst slechts met één handtekening was ondertekend, en zij had de mogelijkheid om schriftelijke toestemming te vragen, wat zij niet deed.

Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de vernietigingsbevoegdheid niet was verjaard, aangezien de overeenkomst werd gesloten op 19 april 2001 en de vernietiging werd ingeroepen op 9 augustus 2006, binnen de wettelijke termijn. Het gevolg hiervan is dat appellante een vordering heeft op Dexia wegens onverschuldigde betaling.

Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van Dexia af. Dexia werd veroordeeld in de kosten van beide instanties en de nakosten. Het arrest is uitgesproken op 19 januari 2021.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van Dexia af wegens rechtsgeldige vernietiging door de niet-handelende echtgenoot.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.219.397
(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Apeldoorn: 3855670)
arrest van 19 januari 2021
in de zaak van
[appellante],
wonende te [A] ,
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 februari 2020 hier over.
1.2.
Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de akte uitlating aan de zijde van Groothuis.
1.3.
Vervolgens hebben partijen aanvullend de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1.
Het hof heeft, alvorens verder te beslissen, [appellante] in de gelegenheid gesteld te reageren op het betoog van Dexia dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW Pro) dan wel misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW Pro) aan het beroep op de vernietiging van de overeenkomsten door de echtgenoot van [appellante] in de weg staan. Het hof oordeelt thans als volgt.
2.2.
Het betoog van Dexia dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW Pro) aan een geslaagd beroep op vernietiging door de echtgenoot in de weg staat, faalt. Het gaat er immers om of in de rechtsbetrekking tussen [appellante] en Dexia het beroep van [appellante] op (de gevolgen van) de rechtsgeldige vernietiging van de leaseovereenkomst met Dexia door haar echtgenoot ( [de echtgenoot] ) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De ruimte hiervoor is zeer beperkt. De artikelen 1:88 en 1:89 BW strekken er immers juist toe de niet-handelende echtgenoot ( [de echtgenoot] ) en het gezin te beschermen tegen de potentieel omvangrijke vermogensrechtelijke gevolgen van huurkoop. Toepassing van artikel 6:2 BW Pro zou afbreuk doen aan die bescherming en de in de artikelen 1:88 en 1:89 BW gegeven bevoegdheid al snel illusoir maken (zie ook Hoge Raad 19 maart 1993 en Hoge Raad 28 maart 2008). [1] Bijzonder zwaarwegende omstandigheden die dit mogelijk anders maken zijn niet gesteld of gebleken. De omstandigheid dat de echtgenoot ten tijde van de ondertekening (mogelijk) in de nabijheid van [appellante] verkeerde, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Zoals overwogen in het tussenarrest onder 5.8 doet deze omstandigheid immers geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van het vernietigingsberoep. Bovendien was het kenbaar voor Dexia dat de effectenleaseovereenkomsten die zij ontving van één handtekening waren voorzien, maar heeft zij er destijds voor gekozen om de onzekerheid over het toestemmingsvereiste niet weg te nemen, hoewel zij daartoe wel de mogelijkheid had. Dat in een later stadium mogelijk alsnog door de niet-handelende echtgenoot aanspraak zou kunnen worden gemaakt op het ontbreken van die schriftelijke toestemming was derhalve voorzienbaar. Eén en ander zou wellicht anders zijn wanneer Dexia uit een mededeling van de niet-handelende echtgenoot ( [de echtgenoot] ) aan haar had kunnen afleiden dat hij toestemming gaf voor de effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en zijn echtgenote, maar dat is niet gesteld of gebleken. Op dezelfde gronden als hiervoor genoemd, kan ook niet worden aangenomen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.
2.3.
Het hof komt vanwege de devolutieve werking thans toe aan het door Dexia in eerste aanleg opgeworpen beroep op verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van [de echtgenoot] . Zoals uiteengezet in het tussenarrest onder 5.5 en 5.6 gaat het erom of de effectenleaseovereenkomsten zijn gesloten na 13 maart 2000 en uiterlijk op 25 juli 2007 de vernietiging door de niet-handelende echtgenoot is ingeroepen. In dit geval is de door [appellante] afgesloten effectenleaseovereenkomst aangegaan op 19 april 2001 en de vernietiging is op 9 augustus 2006 door Groothuis ingeroepen. Hieruit volgt dat de vernietigingsbevoegdheid niet was verjaard.
2.4.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat [appellante] slaagt in haar verweer dat zij nog een vordering heeft op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens vernietiging door haar echtgenoot van de overeenkomst met contractnummer 12403614. Het hof zal om die reden de door Dexia gevorderde verklaring voor recht dat zij uit hoofde van deze overeenkomsten niets meer aan [appellante] verschuldigd is, afwijzen.

3.De slotsom

3.1.
De grief (onder 4 in de memorie van grieven) van [appellante] dat de door haar gesloten overeenkomst rechtsgeldig door haar echtgenoot is vernietigd, slaagt. Het hof zal hierna het bestreden vonnis vernietigen en de door Dexia gevraagde verklaring voor recht afwijzen.
3.2.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Dexia in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht nihil
- salaris gemachtigde € 500,-
en voor het hoger beroep:
- explootkosten € 97,31
- griffierecht € 313,-
- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x appeltarief II)
3.3.
Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Apeldoorn, van 12 april 2017 en doet opnieuw recht;
wijst de vorderingen van Dexia af;
veroordeelt Dexia in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 500,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 410,31 voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval Dexia niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, B.J. Engberts en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021.