ECLI:NL:GHARL:2021:4475

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 mei 2021
Publicatiedatum
10 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.257.619/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 WahvArtikel 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie kentekenhouder wegens overschrijding doorgetrokken streep zonder staandehouding bestuurder

De betrokkene, als kentekenhouder, kreeg een sanctie opgelegd wegens het overschrijden van een doorgetrokken streep op 12 juli 2018 met het voertuig met kenteken [YY-000-Y]. De gemachtigde voerde aan dat de ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen omdat de identiteit van de bestuurder niet direct was vastgesteld en dat de gedraging niet had plaatsgevonden vanwege een fysieke rijbaanscheiding.

De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie, maar verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. Het hof stelde vast dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder was opgelegd omdat de ambtenaar geen reële mogelijkheid had om de bestuurder staande te houden, hetgeen conform artikel 5 Wahv Pro is toegestaan.

Het hof verwierp het verweer dat de ambtenaar zijn bevoegdheid had overschreden door telefonisch contact te zoeken met een derde en achtte de verklaring van de ambtenaar betrouwbaar. Ook werd de aanwezigheid van de verhoogde rijbaanscheiding niet aannemelijk geacht als belemmering voor het overschrijden van de doorgetrokken streep.

Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep werd afgewezen. Het gerechtshof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om vergoeding af.

Uitkomst: De sanctie aan de kentekenhouder wegens het overschrijden van de doorgetrokken streep wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.257.619/01
CJIB-nummer
: 218534464
Uitspraak d.d.
: 10 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 februari 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 382,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter heeft overwogen dat de officier van justitie heeft medegedeeld de beslissing van de officier van justitie te vernietigen, maar die bevoegdheid heeft de officier van justitie niet. Bovendien heeft de kantonrechter vervolgens de beslissing van de officier van justitie vernietigd zonder daarbij het beroep gegrond te verklaren.
2. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in diens beslissing heeft weergegeven welk standpunt de vertegenwoordiger van de officier van justitie ter zitting heeft ingenomen. Het hof beschouwt dit niet als een overweging van de kantonrechter die wordt getoetst op een eventuele onjuistheid die zou moeten leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Het hof stelt wel vast dat uit de overwegingen van de beslissing volgt dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond is, maar dat in het dictum enkel is opgenomen dat de beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd. Het hof zal het dictum daarom verbeterd lezen in die zin dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond wordt verklaard, die beslissing wordt vernietigd en het beroep tegen de inleidende beslissing ongegrond wordt verklaard.
3. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter de gronden die voorafgaand aan de zitting waren gefaxt en die ter zitting zijn aangevoerd en toegelicht niet heeft behandeld.
4. De kantonrechter is niet gehouden om expliciet en uitgebreid op alle aangevoerde gronden in te gaan. Uit diens beslissing blijkt voldoende dat de aangevoerde gronden bij het oordeel zijn betrokken. Het hof leest diens overwegingen dan ook niet zo dat er in het geheel geen specifieke feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, zoals door de gemachtigde gesteld, maar dat de feiten en omstandigheden die zijn aangevoerd niet leiden tot twijfel aan de verklaring van de ambtenaar. Het verweer faalt.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder de doorgetrokken streep overschrijden (verkeer in beide richtingen)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 juli 2018 om 21.35 uur op de Van den Endelaan in Hillegom met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
6. De gemachtigde voert aan dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd, omdat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd telefonisch contact heeft opgenomen met de zoon van [B] , die het voertuig leaset van de kentekenhouder. De ambtenaar had die bevoegdheid echter niet op grond van artikel 5 van Pro de Wahv. De identiteit van de bestuurder kan alleen aanstonds worden vastgesteld. Als de ambtenaar de identiteit van de bestuurder werkelijk had willen vaststellen, had hij ook kunnen kiezen voor opsporing en vervolging via het reguliere strafrecht. Bij afdoening via de Wahv zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard echter uitgesloten. Door wel opsporingsbevoegdheden aan te wenden heeft de ambtenaar zijn bevoegdheid om een sanctie op te leggen op grond van de Wahv prijs gegeven. Verder voert de gemachtigde aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Onder verwijzing naar een uitdraai van Google Maps Street View stelt de gemachtigde dat zich naast de streep een richel bevindt die het onmogelijk maakt om de streep te overschrijden. Daardoor zou ernstige schade aan het voertuig ontstaan. Daarom moet worden getwijfeld aan de verklaring van de ambtenaar.
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het betrof een doorgetrokken streep. Betrokken voertuig overschreed de doorgetrokken streep en haalde één voertuig in.(…)
Reden geen staandehouding: verbalisant was in eigen tijd met privévoertuig”
9. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar – kort samengevat – verklaart dat hem ambtshalve bekend is dat het betreffende voertuig regelmatig in gebruik is bij [C] . Diens telefoonnummer is bekend in het bedrijfsprocessensysteem van de politie. De ambtenaar heeft een collega verzocht om op de ochtend na de gedraging met [C] te bellen om te informeren of hij de bestuurder is geweest op het moment van de gedragingen. [C] gaf aan dat hij niet had gereden. Daarna is hem medegedeeld dat de bekeuringen op kenteken ingezonden zouden worden.
10. In het dossier bevinden zich ook foto’s van de situatie ter plaatse, afkomstig van Google Maps Street View. Daarop is te zien dat twee rijbanen zijn gescheiden door middel van een verhoogde rijbaanscheiding. Deze rijbaanscheiding begint in het midden van een vluchtheuveltje naast de voetgangersoverstreekplaats bij de rotonde. Daardoor is te zien dat deze scheiding ongeveer de hoogte heeft van een stoeprand. Aan beide zijden van de rijbaanscheiding is een doorgetrokken streep te zien.
11. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
12. Uit de gegevens in het dossier volgt dat de ambtenaar geen reële mogelijkheid had om tot staandehouding over te gaan. In dat geval mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Dat de ambtenaar een poging heeft gedaan om de identiteit van de bestuurder te achterhalen, doet hier niet aan af.
13. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de ambtenaar. Dat de rijbaanscheiding niet zonder ernstige schade door een voertuig zou kunnen worden overschreden, acht het hof, gelet op de hoogte van die afscheiding, niet aannemelijk geworden. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
14. De gemachtigde voert verder - kort samengevat - nog aan dat de structurele schending van de hoorplicht door de officier van justitie moet leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het hof ziet hierin geen aanleiding om de inleidende beschikking te vernietigen en verwijst hierbij naar zijn arrest van 30 januari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:802, waarin het hof een gelijkluidend verweer van de gemachtigde heeft besproken.
15. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.