De rechtbank Midden-Nederland heeft de terbeschikkingstelling (TBS) van de terbeschikkinggestelde met twee jaar verlengd en de voorwaarden van de maatregel gewijzigd. Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in, maar beperkte dit uitsluitend tot de wijziging van de voorwaarden, niet tot de verlenging zelf.
Het hof oordeelt dat de wet geen mogelijkheid biedt om alleen tegen de wijziging van voorwaarden hoger beroep in te stellen, aangezien deze wijziging onlosmakelijk verbonden is met de verlenging van de maatregel. De officier van justitie heeft het hoger beroep dus partieel ingesteld, wat niet is toegestaan zonder herstel binnen de beroepstermijn.
Daarom verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De beslissing van de rechtbank tot verlenging van de TBS-maatregel blijft daarmee ongewijzigd in stand.