Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
in eerste aanleg: belanghebbende,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak verzocht appellante het gerechtshof om het leggen van conservatoir beslag op een woning behorende tot de nalatenschap van de overleden man, van wie geïntimeerde de enig erfgenaam is. Appellante stelt een vordering van €780.000,- te hebben op grond van artikel 4:36 lid 1 BW Pro, omdat zij als pleegkind gedurende circa tien jaar intensieve zorg en arbeid voor de overledene heeft verricht zonder passende vergoeding.
De voorzieningenrechter had het verzoek tot beslag in eerste aanleg afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de omvang en duur van de verrichte arbeid. Het hof overweegt dat appellante voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een mogelijke vordering heeft, mede omdat zij als pleegkind kan worden aangemerkt en tijdig aanspraak heeft gemaakt op de billijke vergoeding. Er is bovendien gegronde vrees voor verduistering of onttrekking van verhaal, aangezien de woning reeds onder voorbehoud is verkocht en geïntimeerde mogelijk naar het buitenland vertrekt.
Het hof weegt de belangen en acht het beslag gerechtvaardigd. De vordering wordt voorlopig begroot op de helft van de vraagprijs van de woning, vermeerderd met kosten, totaal €489.000,-. Het beslag wordt toegestaan met de voorwaarde dat de hoofdzaak binnen 14 dagen na beslaglegging wordt ingesteld. De beschikking van de voorzieningenrechter wordt vernietigd en het verzoek toegewezen.
Uitkomst: Het hof verleent verlof tot conservatoir beslag op de woning uit de nalatenschap ter zekerheid van een mogelijke vordering van €489.000,-.