ECLI:NL:GHARL:2021:11141

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
2 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.284.706
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 6 WahvArt. 5 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijkheid beroep tegen verkeersboete wegens te late indiening

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een verkeersboete wegens een roodlichtovertreding. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Het hof vernietigt deze beslissing omdat de betrokkene onvoldoende in een begrijpelijke taal was geïnformeerd over de beroepstermijn, waardoor het te late beroep hem niet kan worden toegerekend.

Het hof beoordeelt vervolgens het beroep zelf en oordeelt dat het beroepschrift tegen de inleidende beschikking ook te laat is ontvangen. De betrokkene had het beroepschrift aangetekend vanuit het buitenland op de laatste dag van de termijn verzonden, maar dit was onvoldoende om de termijnoverschrijding niet aan hem toe te rekenen. Hierdoor is het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de Wahv deze niet kent. Tevens benadrukt het hof dat het Nederlandse recht van toepassing is op verkeershandhaving, ongeacht de nationaliteit van de kentekenhouder of bestuurder.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.284.706/01
CJIB-nummer
: 202538342
Uitspraak d.d.
: 2 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een schadevergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De beslissing van de officier van justitie is op 17 februari 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 31 maart 2017. Het beroepschrift van de betrokkene is gedateerd 25 september 2018. Uit een stempel blijkt dat het op 1 oktober 2018 door de officier van justitie is ontvangen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
4. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5. Bij de bekendmaking van de beslissing van de officier van justitie moet worden vermeld dat beroep bij de kantonrechter kan worden ingesteld en binnen welke termijn dat moet gebeuren. Dat volgt uit artikel 6:23 van Pro de Awb. Het is vaste rechtspraak dat deze mededeling moet worden gedaan in een taal die de betrokkene beheerst.
6. De betrokkene woont in Polen en heeft steeds in de Poolse taal gecorrespondeerd. In het dossier bevindt zich een door de betrokkene ingebrachte kopie van de beslissing van de officier van justitie. Onder die beslissing is alleen in de Nederlandse taal gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen. Informatie in een voor de betrokkene begrijpelijke taal over (de wijze van) het instellen van het beroep bij de kantonrechter ontbreekt dus. Om die reden kan het te laat instellen van beroep tegen de beslissing van de officier van justitie de betrokkene niet worden toegerekend. De kantonrechter heeft dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
8. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Awb. De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd. De in de Poolse taal opgestelde inleidende beschikking is op 8 november 2016 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 20 december 2016. Uit artikel 6:9 van Pro de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan. Het beroepschrift van de betrokkene is gedateerd 20 december 2016. Uit de poststempel op de envelop waarin het beroepschrift is verzonden volgt dat het beroepschrift ook op 20 december 2016, en daarmee op de laatste dag van de beroepstermijn, ter post is bezorgd. Het beroepschrift is echter pas op 30 december 2016 door de officier van justitie ontvangen, dus drie dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
9. Ook hiervoor geldt dat een te laat ingesteld beroep toch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
10. De betrokkene voert aan dat hij het beroepschrift op 20 december 2016 vanuit Polen (aangetekend) heeft verzonden. Dit is in overeenstemming met de termijn waarbinnen het beroep moest worden ingediend. De afwijzing van het beroep door het Nederlandse Openbaar Ministerie is dan ook onwettig.
11. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb, volgt dat door de wetgever is onderkend dat de in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb genoemde termijn van één week onvoldoende kan zijn voor verzendingen vanuit het buitenland. Onder omstandigheden kan in die gevallen het hiervoor genoemde artikel 6:11 van Pro de Awb worden toegepast. Het is vaste rechtspraak dat voor toepassing van die bepaling wel vereist is dat de betrokkene het beroepschrift heeft verzonden op een tijdstip dat én met gebruikmaking van een middel dat niet het ernstige risico in zich draagt dat de termijn van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb wordt overschreden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2007, vindplaats op rechtspraak.nl ECLI:NL:CRVB:2007:BA6714).
12. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene niet voldaan aan deze in de rechtspraak vermelde criteria voor ontvankelijkheid van een te laat ontvangen beroepschrift vanuit het buitenland. Weliswaar heeft de betrokkene gebruik gemaakt van een middel, de Poolse aangetekende post, dat niet het risico van termijnoverschrijding met zich brengt. Maar door het beroepschrift op de laatste dag van de beroepstermijn - in de periode rond de Kerstdagen - ter post aan te bieden, heeft de betrokkene niet gekozen voor een tijdstip dat niet een dergelijk risico met zich draagt. Daarmee heeft hij niet al dat gedaan wat van hem redelijkerwijs verwacht mocht worden. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding de betrokkene niet kan worden toegerekend.
13. Het voorgaande betekent dat de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Dit houdt in dat het hof niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de aan hem opgelegde sanctie van € 230,- voor een rood licht overtreding.
14. Ten behoeve van de betrokkene wijst het hof nog wel erop dat ten aanzien van de handhaving van de verkeersregels op Nederlands grondgebied het Nederlandse recht van toepassing is, ongeacht de nationaliteit van de kentekenhouder of bestuurder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. In Nederland geldt dat in zaken die op grond van de Wahv worden afgedaan, de kentekenhouder, op de voet van artikel 5 van Pro de Wahv aansprakelijk is voor betaling van de sanctie wegens een gedraging die is begaan met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam staat, indien niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder daarvan was op het moment van de gedraging. Daarom is het in beginsel niet van belang vast te stellen wie de feitelijke bestuurder van het motorrijtuig was. Dat een dergelijke rechtsfiguur in strijd zou zijn met het Poolse recht, maakt het voorgaande niet anders, nu de betreffende gedraging op Nederlands grondgebied is geconstateerd.
15. Met betrekking tot het verzoek van de betrokkene om toekenning van een bedrag van
€ 1.000.000,- voor immateriële schade overweegt het hof dat de Wahv de mogelijkheid van (immateriële) schadevergoeding niet kent. Het hof zal dit verzoek daarom niet-ontvankelijk verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
verklaart het verzoek om immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.