ECLI:NL:GHARL:2021:11138

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2021
Publicatiedatum
2 december 2021
Zaaknummer
Wahv 200.261.421
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens ontbreken bewijs bebording overschrijding snelheid bebouwde kom

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 16 km/u op 30 juni 2018 op de Gordelweg in Rotterdam. De sanctie bedroeg €141,-. De betrokkene betwistte dat hij een bord H1 (bebouwde kom) was gepasseerd en stelde dat de bebording ontbrak. De officier van justitie bracht geen schouwrapport of bewijs in dat op de gereden route een deugdelijk bord aanwezig was.

Het hof oordeelde dat het op de weg van de officier van justitie ligt om te bewijzen dat de betrokkene de bebouwde kom is ingereden via een toegangsweg met een deugdelijk bord. De betrokkene had de route onderbouwd met een print van Google Maps Street View, maar de advocaat-generaal bracht geen tegenbewijs in. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de gedraging binnen de bebouwde kom had plaatsgevonden.

Daarom vernietigde het hof de inleidende beschikking en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd het door de betrokkene gestelde bedrag aan zekerheid gerestitueerd. De verzoeken om proceskostenvergoeding werden deels toegewezen, waarbij de advocaat-generaal werd veroordeeld tot vergoeding van €187,- aan de betrokkene. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom wordt vernietigd wegens ontbreken bewijs van bebording.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.261.421/01
CJIB-nummer
: 218189821
Uitspraak d.d.
: 2 december 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft hierop niet gereageerd.
Bij schrijven van 2 maart 2021 heeft de gemachtigde van de betrokkene de gronden van beroep aangevuld. Ook hierop heeft de advocaat-generaal niet meer gereageerd.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich onder meer tegen de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 141,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 16 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 juni 2018 om 17:23 uur op de Gordelweg ter hoogte van perceel 200a in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat ten tijde van de gedraging geen sprake was van een deugdelijk bord H1, waarmee het begin van de bebouwde kom is aangegeven. Uit het dossier is niet gebleken dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. Door de betrokkene wordt uitdrukkelijk betwist dat hij een bord H1 is gepasseerd. Nu de aanwezigheid van de bebording cruciaal is om de gedraging vast te kunnen stellen, ligt het op de weg van de officier van justitie om een schouwrapport in het geding te brengen. De betrokkene reed over de A13, de Kanaalweg en toen de Gordelweg. Het is aan de advocaat-generaal te onderbouwen dat de betrokkene het bord H1 is gepasseerd. De gemachtigde heeft in dit verband gewezen op (r.o. 8 van) het arrest van het hof van 28 februari 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:1803).
3.
Naast de gegevens in de inleidende beschikking houdt het zaakoverzicht in dat de gedraging automatisch werd vastgelegd door middel van goedgekeurde radarapparatuur die in een flitspaal is gemonteerd, dat de gedraging plaats vond binnen de bebouwde kom en dat de toegestane snelheid 50 km per uur was. Voorts bevinden zich in het dossier twee foto's van de gedraging.
4. Bij de bebouwde kom en bij een parkeerverbodszone of een parkeerschijfzone worden de grenzen daarvan door middel van meerdere verkeersborden aangegeven. Iedere voor motorvoertuigen openstaande toegangsweg waarlangs de bebouwde kom of zone kan worden bereikt, moet van (respectievelijk) een bord H1 (bebouwde kom), bord E1 (parkeerverbodszone) of van een bord E10 (parkeerschijfzone) zijn voorzien. Het kan daarbij gaan om een aanzienlijk aantal verkeersborden. Om te kunnen vaststellen dat de gedraging, waarvoor de vaststelling dat deze heeft plaats gehad in de bebouwde kom of in de desbetreffende zone van belang is, is verricht, is niet noodzakelijk dat de aanwezigheid van
alleborden wordt vastgesteld. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom of de zone is ingereden, van een deugdelijk bord is voorzien.
5. Dit uitgangspunt brengt mee dat een betrokkene die stelt dat deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 9 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:4055). Vervolgens zal uit (nadere) stukken moeten blijken dat op de gevolgde toegangsweg:
(a) op enig moment vóór de vermeende gedraging een bord is geplaatst;
(b) op enig moment ná de vermeende gedraging dat bord nog aanwezig was en
(c) na verificatie van daarvoor beschikbare bronnen is gebleken dat dit bord in de tussentijd niet is verwijderd of vervangen.
6. De gemachtigde heeft een print van Google Maps Street View overgelegd ter onderbouwing van de route die de betrokkene ten tijde van de gedraging stelt te hebben gereden. De advocaat-generaal heeft geen informatie omtrent de aanwezigheid van een bord bebouwde kom op de door de betrokkene gereden route in het geding gebracht. Aldus kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan dan ook niet in stand blijven.
7. De gemachtigde heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. Het betreft hier de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De grond die leidt tot vernietiging van de inleidende beschikking heeft de gemachtigde voor het eerst in hoger beroep, ruim nadat de schriftelijke fase reeds was afgerond, aangevoerd. Weliswaar kennen de beroepsprocedures op grond van de Wahv in beginsel geen grondenfuik, maar in het onderhavige geval valt niet in te zien waarom deze grond niet al in een eerder stadium had kunnen worden aangevoerd. Bovendien betreft het een aanvulling van de gronden, waarvoor in beginsel geldt dat dit geen proceshandeling is die voor vergoeding in aanmerking komt. Nu het beroep tegen de inleidende beschikking echter op basis van deze aangevoerde grond gegrond wordt verklaard, zal het hof deze proceshandeling aanmerken als een nadere toelichting op het beroep en daarvoor een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt vanaf 1 juli 2021 € 748,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 187,- (= 0,5 x € 748,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt de inleidende beschikking;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 187,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.