Uitspraak
[appellant],
1.Flexellon B.V.,
Flexellon,
Flexellon Holding,
Flexellon c.s.,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond centraal of appellant na 1 januari 2019 nog in dienst was van Flexellon op basis van een arbeidsovereenkomst, dan wel dat deze was omgezet in een overeenkomst van opdracht. De arbeidsovereenkomst was sinds 1 januari 2015 van kracht, maar op 29 november 2018 besloten de aandeelhouders unaniem de verloning te wijzigen en via persoonlijke houdstermaatschappijen te laten verlopen, mede om fiscale redenen.
Appellant voerde aan dat de arbeidsrelatie ongewijzigd was gebleven en dat de wijziging slechts een fiscale omvorming betrof. Flexellon stelde dat appellant door zijn handelen de arbeidsovereenkomst had opgezegd en dat vanaf 1 januari 2019 sprake was van een overeenkomst van opdracht. Het hof oordeelde dat het feitelijk indienen van facturen door appellant via zijn vennootschap Aroma B.V., het ontbreken van loonheffing door Flexellon en de aanvraag van een loonbeschikking door appellant wezen op een einde van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter had eerder de vorderingen van appellant afgewezen, en het hof bekrachtigde dit vonnis. Het beroep van appellant op het ontbreken van een schriftelijke beëindigingsovereenkomst en op de toepasselijkheid van artikel 7:670b BW faalde, omdat de opzegging door appellant zelf was gegeven door zijn instemming met de gewijzigde verloning en de uitvoering daarvan. Het hof veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2019 is geëindigd en wijst het hoger beroep van appellant af.