ECLI:NL:GHARL:2020:9606

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 november 2020
Publicatiedatum
19 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.245.317/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20d WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake zekerheidstelling in bestuursstrafrechtelijke procedure Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

De kantonrechter had het beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een recente schriftelijke machtiging. Het hof oordeelt dat de aanwezige machtiging voldoende was en verklaart het beroep ontvankelijk. Vervolgens constateert het hof dat betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, terwijl dat wettelijk verplicht is. Artikel 20d, lid 2, Wahv biedt echter geen grond voor terugwijzing naar de kantonrechter.

Het hof neemt de behandeling van de zekerheidstelling zelf ter hand en stelt vast dat betrokkene tijdig een draagkrachtverweer heeft gevoerd. Het hof benadrukt dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot de rechter niet mag belemmeren, conform artikel 6 EVRM Pro. Indien betrokkene financieel niet in staat is zekerheid te stellen, kan de zekerheid op nihil worden gesteld of kan betrokkene worden gehoord over zijn financiële situatie.

Omdat het niet op voorhand aannemelijk is dat betrokkene niet kan voldoen, nodigt het hof de gemachtigde uit voor een openbare zitting om de financiële situatie nader toe te lichten. De zaak wordt voortgezet op een nader te bepalen zitting, tenzij de gemachtigde binnen vier weken aangeeft dat een zitting niet nodig is. Alle verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ontvankelijk, wijst terugwijzing af en nodigt betrokkene uit voor een zitting over financiële draagkracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.245.317/01
CJIB-nummer
: 207349893
Uitspraak d.d.
: 19 november 2020
Tussenarrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2018, betreffende
B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda,
beweerdelijk optredend voor

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

B. de Jong LLB. (hierna: De Jong) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De Jong heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat De Jong geen recente schriftelijke machtiging heeft overgelegd, hoewel daar in de brieven van 28 februari 2018 en 16 april 2018 uitdrukkelijk om was gevraagd.
2. Onder verwijzing naar het arrest van 12 februari 2016 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:1084) is het hof van oordeel dat de kantonrechter in dit geval de in het dossier aanwezige machtiging in redelijkheid niet ontoereikend heeft kunnen achten. Nu De Jong bij het instellen van het beroep bij de kantonrechter een door de betrokkene ondertekende machtiging heeft overgelegd alsmede een kopie van de beslissing van de officier van justitie, bestaat er redelijkerwijs geen twijfel dat De Jong optrad namens de betrokkene. De kantonrechter heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof beschouwt het (hoger) beroep als ingesteld namens de betrokkene.
3. De advocaat-generaal heeft er in het verweerschrift op gewezen dat de betrokkene niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting tot zekerheidstelling. Namens de betrokkene is in het beroepschrift bij de kantonrechter aangevoerd dat de betrokkene over onvoldoende financiële middelen beschikt om zekerheid te kunnen stellen. De advocaat-generaal stelt dat terugwijzing naar de kantonrechter in dit geval niet mogelijk is en verzoekt het hof de betrokkene op te roepen voor een zitting teneinde haar in staat te stellen het beroep op financieel onvermogen nader te onderbouwen.
4. In reactie op het verweerschrift heeft de gemachtigde aangevoerd dat het uitsluitend aan de kantonrechter is om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren indien geen zekerheid is gesteld. Nu dat niet is gebeurd, kan de zaak inhoudelijk worden behandeld.
5. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat artikel 20d, tweede lid, van de Wahv geen ruimte biedt voor terugwijzing van de zaak. Dit brengt mee dat het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen. Het hof stelt vast dat de betrokkene niet (tijdig) zekerheid heeft gesteld en dat de betrokkene tijdig een draagkrachtverweer heeft gevoerd.
6. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Als echter blijkt dat de toegang tot de rechter door de financiële situatie van de betrokkene wel zou worden belemmerd, is de verplichting tot zekerheidstelling een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
7. In gevallen zoals dit, waarin de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter aanvoert dat om financiële redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan worden gesteld tot het totale verlangde bedrag, zijn er twee mogelijkheden:
- aannemelijk achten dat de betrokkene niet in staat is om zekerheid te stellen, de zekerheid op nihil stellen en de zaak inhoudelijk behandelen;

of

- de betrokkene uitnodigen om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht.
8. Het hof acht gelet op hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd niet op voorhand aannemelijk dat de betrokkene niet in staat is om zekerheid te stellen voor het totale bedrag. Het hof zal de gemachtigde daarom uitnodigen om op een zitting van het hof te worden gehoord over de huidige financiële situatie van de betrokkene. De informatie dient zoveel mogelijk onderbouwd te worden met stukken.
9. Het hof zal de behandeling van de zaak voortzetten op een nader te bepalen zitting, tenzij de gemachtigde van de betrokkene binnen vier weken na dagtekening van dit arrest uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aangeeft dat een zitting achterwege kan blijven. In de brief waarin hij dat aangeeft kan de gemachtigde desgewenst ook de huidige financiële situatie van de betrokkene toelichten.
10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:
bepaalt dat de zaak ter zitting van het hof wordt behandeld tenzij de gemachtigde van de betrokkene binnen vier weken na dagtekening van dit arrest aangeeft van die gelegenheid geen gebruik te willen maken;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.