ECLI:NL:GHARL:2020:8963

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 november 2020
Publicatiedatum
3 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.243.026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen sanctie opleggen aan ontbonden rechtspersoon die voor derden kenbaar is opgehouden te bestaan

De betrokkene, een rechtspersoon, kreeg een sanctie opgelegd voor het niet stoppen voor rood licht op 26 juli 2016. De betrokkene was echter op 28 juni 2016 ontbonden en op 29 juni 2016 voortgezet door een andere rechtspersoon, die voor derden kenbaar was als opvolger. Hierdoor kon de sanctie niet meer aan de oorspronkelijke rechtspersoon worden opgelegd.

De gemachtigde voerde aan dat er geen sprake was van voortzetting door een andere rechtspersoon vanwege een wezenlijke verandering in maatschappelijke realiteit, aangezien de onderneming eerst door natuurlijke personen werd gedreven en daarna door een besloten vennootschap. De advocaat-generaal stelde echter dat de activiteiten grotendeels hetzelfde waren en op dezelfde locatie plaatsvonden, en dat de sanctie terecht aan de opvolgende vennootschap opgelegd kon worden.

Het hof oordeelde dat de sanctie niet aan de ontbonden rechtspersoon kon worden opgelegd omdat deze voor derden kenbaar was opgehouden te bestaan. De vraag naar voortzetting en maatschappelijke realiteit was niet relevant omdat de sanctie niet aan de opvolgende vennootschap was opgelegd. Het hof vernietigde de beschikking en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van € 1050,-.

Uitkomst: De sanctiebeschikking tegen de ontbonden rechtspersoon wordt vernietigd en de advocaat-generaal wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.243.026/01
CJIB-nummer
: 200246145
Uitspraak d.d.
: 3 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 22 maart 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift uitgebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De bezwaren richten zich onder meer tegen de opgelegde sanctie.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 juli 2016 om 15.25 uur op de Ringbaan-Noord in Weert met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
3. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene, een niet-natuurlijk persoon, is opgehouden te bestaan voordat de sanctie werd opgelegd. De sanctie mocht daarom niet worden opgelegd. In onderhavig geval is geen sprake van voortzetting van de niet-natuurlijke persoon door een ander niet-natuurlijke persoon, omdat de onderneming eerst werd gedreven voor rekening en risico van twee natuurlijke personen en nu voor rekening en risico van een besloten vennootschap. De maatschappelijke realiteit is daardoor sterk veranderd. De gemachtigde verwijst voor diens verweer naar arresten van het hof van 11 juli 2011 en 18 juni 2016 (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR2226 en ECLI:NL:GHARL:2016:4558).
4. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de [betrokkene] , die op 28 juni 2016 is ontbonden, is voortgezet door [B] B.V. Enig aandeelhouder en tevens bestuurder van deze B.V. is [C] B.V. De activiteiten zijn grotendeels dezelfde en vinden plaats op dezelfde locatie. De [betrokkene] is voor derden niet kenbaar opgehouden te bestaan. De sanctie is terecht aan deze vennootschap opgelegd, aldus de advocaat-generaal.
5. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie aan een niet-natuurlijke persoon niet meer bestaat, als bij de oplegging van de sanctie de niet-natuurlijke persoon voor derden kenbaar is opgehouden te bestaan. Wanneer de niet-natuurlijke persoon wordt voortgezet door een andere niet-natuurlijke persoon is de maatschappelijke realiteit beslissend voor de vraag of de sanctie aan de opvolgende niet-natuurlijke persoon kan worden opgelegd (vgl. het arrest van het hof van 13 oktober 2015, te vinden op rechtsspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:7670).
6. De sanctie is bij beschikking van 12 augustus 2016 opgelegd aan [betrokkene] . Uit de gegevens in het dossier, waaronder uittreksels van de Kamer van Koophandel, blijkt dat deze rechtspersoon op 28 juni 2016 is ontbonden. Bovenaan het uittreksel van [betrokkene] staat dat op 29 juni 2016 is geregistreerd dat de onderneming is voortgezet door [B] B.V.
Door inschrijving in de registers van de Kamer van Koophandel is [betrokkene] op 29 juni 2016 voor derden kenbaar opgehouden te bestaan. Dat betekent dat de sanctie niet meer aan deze rechtspersoon kon worden opgelegd. De vraag of sprake van de zelfde maatschappelijke realiteit, voortgezet door [B] B.V., behoeft geen bespreking. Het antwoord op die vraag is eerst dan van belang als de sanctie aan deze B.V. was opgelegd.
7. De inleidende beschikking kan niet in stand blijven. Het hof zal als volgt beslissen. De overige aangevoerde bezwaren behoeven geen bespreking.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting op het beroep dienen in totaal 3,5 punten te worden toegekend. Aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1050,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1050,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.