De beoordeling
1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zelf beoordelen.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie geen stand kan houden, omdat die in strijd met de hoorplicht is genomen. Op willekeurige momenten bellen is niet het op adequate wijze in de gelegenheid stellen te worden gehoord.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep op de juiste wijze een verzoek tot horen heeft gedaan en dat zich geen (andere) uitzonderingsgevallen om van horen af te zien voordoen. De officier van justitie was gehouden de gemachtigde te horen. In de beslissing van de officier van justitie is met betrekking tot het horen vermeld dat er drie pogingen zijn gedaan om de gemachtigde te horen, maar dat deze pogingen geen resultaat hebben gehad. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 20 februari 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:1422) is het hof van oordeel dat de officier van justitie de gemachtigde hiermee onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, deze beslissing vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. 4. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een rijdend motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (feitcode R315a)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 juli 2016 om 15.30 uur op de Grote Marktstraat in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .
5. De gemachtigde heeft aangevoerd dat van duidelijke bebording niet is gebleken. Er is geen sprake van een weg die wordt aangeduid als fietspad. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de gemachtigde twee foto’s bijgevoegd. Daarnaast is geen sprake is van een ambtsedige verklaring van een ambtenaar. De tekst in het zaakoverzicht kan niet als zodanige verklaring worden aangemerkt.
6. Het hof stelt voorop dat voor de vaststelling dat een gedraging is verricht een ambtsedige verklaring van een ambtenaar niet is vereist.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Soort voertuig: tweewielige bromfiets (…)
Ik zag dat het voertuig reed op een middels bord G11 RVV 1990 aangeduid weggedeelte dat is bestemd voor het verkeer van fietsers, zijnde een fietspad. Overtreden artikel: 10 lid 1 RVV 1990.(…) Verklaring betrokkene: ik wist het niet.”
8. De gemachtigde heeft betwist dat er sprake was van een fietspad, aangeduid middels een bord G11. In reactie op dit verweer is in hoger beroep door de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal van 12 maart 2018 in het geding gebracht, waarin de ambtenaar - voor zover relevant - het volgende verklaart:
“Het kernwinkelgebied van ’s-Gravenhage is afgesloten voor verkeer van auto’s, motoren, scooters en brommers door pollers, flexibele paaltjes die omhoog en naar beneden kunnen. Hierdoor ontstaan gebieden waar meer ruimte is voor voetgangers, fietsers en terrassen. Alle ‘ingangen’ van het kernwinkelgebied zijn voorzien van bord G7 zone, bijlage 2, RVV 1990 en voorzien van een onderbord waarin de venstertijden worden getoond en fietsers toegestaan (…).”
Ter illustratie heeft de ambtenaar afbeeldingen van de bebording bijgevoegd van verschillende toegangswegen die leiden naar de Grote Marktstraat. De afbeeldingen dateren van juli 2017.
9. Op basis van de gegevens in het dossier stelt het hof vast dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat de betrokkene op een bromfiets op de Grote Marktstraat in ’s-Gravenhage heeft gereden. Blijkens het aanvullend proces-verbaal betreft het hier een voetgangerszone.
10. De gemachtigde heeft niet betwist dat de betrokkene met zijn bromfiets in een voetgangerszone heeft gereden. Wel stelt de gemachtigde dat uit de ingebrachte afbeeldingen niet blijkt dat de borden ten tijde van de verweten gedraging aanwezig waren, aangezien deze dateren van een jaar na de vermeende gedraging.
11. Het hof stelt vast dat er in dit geval sprake is van een visuele waarneming van de gedraging door de ambtenaar. De visuele waarneming door een ambtenaar kan voldoende grondslag zijn voor de vaststelling dat een gedraging is verricht. Het verweer van de gemachtigde geeft het hof in het onderhavige geval geen aanleiding te twijfelen aan de waarneming van de betreffende ambtenaar, meer in het bijzonder de aanwezigheid van de bebording ten tijde van de gedraging. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de gemachtigde zijn stelling dat van duidelijke bebording niet is gebleken, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, in het bijzonder heeft de gemachtigde niet aangegeven via welke toegangsweg de betrokkene ter plaatse is gekomen (vergelijk het arrest van het hof van 28 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Uit de door de gemachtigde bijgevoegde, overigens niet gedateerde, foto’s blijkt niet waar en op welk moment de foto’s zijn genomen. Daar staat tegenover dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat bij alle ingangen van de Grote Markstraat een bord G7 was geplaatst. Dat de bijgevoegde afbeeldingen van de ambtenaar dateren van een jaar na de gedraging, doet aan het voorgaande niet af.
12. De advocaat-generaal heeft zich bij brief van 24 september 2020 op het standpunt gesteld dat er een onjuiste feitcode is gebruikt, nu sprake is van een bromfiets in plaats van een motorvoertuig, en heeft voorgesteld om de feitcode van de gedraging te wijzigen naar R311: “als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad”, waarbij het bijbehorend sanctiebedrag wordt vastgesteld op € 95,-.
13. De gemachtigde heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het voorstel van de advocaat-generaal de feitcode van de gedraging te wijzigen wordt gevolgd, maar stelt dat het bedrag van € 95,- niet het tarief is dat ten tijde van de verweten gedraging actueel was.
14. Gelet op het bovenstaande, en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent met zijn bromfiets op de Grote Marktstraat te hebben gereden, is naar het oordeel van het hof komen vast komen te staan dat de gedraging behorend bij feitcode R311 is verricht. Het hof zal overgaan tot het wijzigen van de feitcode en het daarbij behorende bedrag van de sanctie. Niet is gebleken dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode in zijn belangen is geschaad, nu de gemachtigde bij schrijven van 26 september 2020 heeft gereageerd op het verzoek om wijziging en de hoogte van het sanctiebedrag voor de nieuwe feitcode lager is. Hierbij merkt het hof op dat, anders dan de gemachtigde meent, het bedrag van € 95,- wel het tarief is dat ten tijde van de verweten gedraging actueel was. Het hof zal het beroep gedeeltelijk gegrond verklaren en de inleidende beschikking voor wat betreft de daarin opgenomen feitcode en omschrijving van de gedraging wijzigen in “R311-als bromfietser niet de rijbaan gebruiken bij ontbreken van een fiets/bromfietspad”. Voorts zal het bedrag van de administratieve sanctie worden gewijzigd in € 95,-.
15. De gemachtigde heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. Ten aanzien van dit verzoek heeft de advocaat-generaal gesteld dat er geen aanspraak bestaat op een proceskostenvergoeding, omdat er geen causaal verband is tussen de gronden die door de gemachtigde zijn aangevoerd en de reden die ertoe heeft geleid dat de betrokkene in het gelijk wordt gesteld.
16. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, nu de betrokkene in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld. Dat er volgens de advocaat-generaal geen aanspraak bestaat op een proceskostenvergoeding omdat er geen causaal verband is tussen de gronden die door de gemachtigde zijn aangevoerd en de reden die ertoe heeft geleid dat de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, brengt niet mee dat er afgeweken dient te worden van de uitgezette lijn in het arrest van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3336). 17. De gemachtigde heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift en een nadere toelichting daarop. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend, aan het indienen van een nadere toelichting een half punt. De waarde per punt bedraagt € 525,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 918,75 (= 3,5 x € 525,- x 0,5).
18. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.