ECLI:NL:GHARL:2020:5230

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
200.163.630
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis bestuurdersaansprakelijkheid en boetebetaling in huurzaken

In deze civiele zaak stond de bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde2] centraal in verband met een huurovereenkomst. Deucalion Beheer B.V. vorderde betaling van een hoofdsom, boetes en kosten. Na een tussenarrest werd nagegaan of de betaling volledig was voldaan en wat dat betekende voor de aansprakelijkheid.

[geïntimeerde2] stelde dat een bedrag van €31.526,- was voldaan, inclusief hoofdsom, boete wegens te late betaling, boete waarborgsom en buitengerechtelijke kosten, verminderd met een waarborgsom. Deucalion betwistte dat de boete over de hoofdsom voldoende was betaald. Het hof overwoog dat over de berekening van de boete verschillende opvattingen mogelijk zijn en dat het feit dat een minimumbedrag van €4.500,- was betaald, geen ernstig verwijt oplevert.

Daarom wees het hof de vordering tegen [geïntimeerde2] af en bekrachtigde het het vonnis van de kantonrechter. De proceskosten tussen partijen werden gecompenseerd, waarbij Deucalion in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Kraaikamp Assurantiën werd veroordeeld, maar deze kosten werden vastgesteld op nihil. Beide partijen dragen hun eigen kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tegen de bestuurder af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.163.630
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 2392081)
arrest van 7 juli 2020
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Deucalion Beheer B.V.,
gevestigd te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Deucalion,
advocaat: mr. R.P.J. Hendrikx,
tegen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Kraaikamp Assurantiën B.V.,
gevestigd te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
in eerste aanleg gedaagde,
hierna: Kraaikamp Assurantiën,
niet verschenen,
2.
[geïntimeerde2],
wonende te [A] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellant in het incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde2] ,
advocaat: mr. J. de Groot.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 8 januari 2019 hier over. Het verdere verloop blijkt uit de aktes van beide partijen, genomen op 9 juli 2019 en de antwoordaktes van beide partijen, genomen op 6 augustus 2019. Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aanvullend aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1
Bij het tussenarrest heeft het hof de zaak op een ruime termijn naar de rol verwezen opdat de partijen zich zouden kunnen uitlaten over de vraag of Deucalion alsnog is voldaan en zo nee, wat dat betekent voor de (gestelde) bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde2] .
2.2
[geïntimeerde2] heeft gesteld dat na het tussenarrest aan Deucalion is voldaan een bedrag van € 31.526,-, welk bedrag als volgt is samengesteld:
- hoofdsom € 31.639,-
- boete (kennelijk: wegens te late betaling van de hoofdsom) € 4.500,-
- boete waarborgsom € 1.000,-
- buitengerechtelijke kosten € 965,-
verminderd met de waarborgsom € 6.578,-.
2.3
Deucalion heeft aangevoerd dat er te weinig boete is betaald over de hoofdsom. [geïntimeerde2] heeft zich op het standpunt gesteld dat Kraaikamp Holding B.V. geen boetes heeft verbeurd en enkel kan worden aangesproken op de hoofdsom, rente en kosten. Het hiervoor onder 2.2 vermelde bedrag is uiteindelijk aan Deucalion voldaan om tot een afronding van de zaak te komen. Uit het feit dat, geheel onverplicht, ook een boetebedrag is voldaan, mag niet worden afgeleid dat Kraaikamp Holding en/of [geïntimeerde2] erkennen enig bedrag aan boete verschuldigd te zijn.
2.4
Het hof overweegt het volgende. Aangezien de hoofdsom, de boete over de waarborgsom en de buitengerechtelijke kosten zijn voldaan, treft [geïntimeerde2] niet persoonlijk een ernstig verwijt ten aanzien van het onbetaald blijven daarvan. Dan blijft over het verwijt dat te weinig boete zou zijn betaald over de hoofdsom. Over de wijze waarop de boete over de huursom zou moeten worden berekend, zijn verschillende opvattingen mogelijk. De kantonrechter heeft daar, zo volgt uit 3.6.3 van zijn tussenvonnis van 16 april 2014, geen uitspraak over gedaan. Tussen partijen staat vast dat inmiddels betaald is een boete van € 4.500,- zijnde 15 maal € 300,-, dat wil zeggen voor iedere achterstallige maand het minimumbedrag van € 300,-. Nu verschillende opvattingen mogelijk zijn, valt [geïntimeerde2] reeds daarom er niet persoonlijk een ernstig verwijt van te maken dat hij het er niet toe heeft geleid dat een hoger bedrag werd voldaan.
2.5
Dat betekent dat de vordering op [geïntimeerde2] moet worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. In het feit dat Deucalion wel heeft moeten procederen om betaling te verkrijgen, ziet het hof aanleiding de proceskosten tussen Deucalion en [geïntimeerde2] in hoger beroep te compenseren. De grief van [geïntimeerde2] in het incidenteel hoger beroep behoeft daarom geen verdere behandeling. Deucalion zal in de proceskosten van het hoger beroep van Kraaikamp Assurantiën worden veroordeeld, die echter worden vastgesteld op nihil.

3.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 november 2014;
veroordeelt Deucalion in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Kraaikamp Assurantiën, welke kosten worden vastgesteld op nihil;
bepaalt dat Deucalion en [geïntimeerde2] beiden de eigen kosten van het hoger beroep dragen;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.B. ter Heide, L.F. Wiggers-Rust en J.L. Smeehuijzen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2020.