ECLI:NL:GHARL:2020:4313

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 juni 2020
Publicatiedatum
5 juni 2020
Zaaknummer
Wahv 200.233.736/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing officier van justitie in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die zijn beroep tegen een beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk had verklaard. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het proces-verbaal van de zitting bij de kantonrechter niet volledig was, omdat het standpunt van de officier van justitie ontbrak.

Het hof stelde vast dat hoewel het proces-verbaal niet aan alle vereisten voldeed, dit geen nadeel voor de betrokkene opleverde omdat de kantonrechter ambtshalve tot niet-ontvankelijkheid had beslist. Hierdoor was het standpunt van de officier van justitie niet relevant voor het belang van de betrokkene.

Het hof verwierp het bezwaar en bevestigde de beslissing van de kantonrechter. Tevens wees het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 5 juni 2020 en betreft een bestuursstrafrechtelijke procedure op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.233.736/01
CJIB-nummer
: 201852048
Uitspraak d.d.
: 5 juni 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 12 februari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 17 juli 2018 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert in hoger beroep als enige bezwaar aan dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting bij de kantonrechter een proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank heeft hiervan geen afschrift toegezonden na het instellen van hoger beroep. Het is vaste rechtspraak van het hof dat van iedere zitting een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt waarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen, is vervat. Nu de beslissing van de kantonrechter hieraan niet voldoet, kan deze beslissing niet in stand blijven.
2. Het dossier bevat een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van 12 februari 2018, met daarin opgenomen de beslissing van de kantonrechter. Dat een afschrift van dit proces-verbaal aan de gemachtigde is toegezonden (en door hem is ontvangen), kan worden afgeleid uit het feit dat de gemachtigde bij zijn hoger beroepschrift een afschrift daarvan heeft meegezonden. Echter, het proces-verbaal bevat niet de conclusie waartoe de vertegenwoordiger van de officier van justitie is gekomen. In zoverre voldoet het niet aan de eisen die daaraan gesteld mogen (vgl. het arrest van het hof van 9 oktober 2019, rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2019:8307).
3. Het hof ziet in dit geval echter aanleiding om hieraan geen gevolgen te verbinden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene door het niet vermelden van die conclusie, in het proces-verbaal van de zitting, in zijn rechtens te erkennen belang is geschaad. Het hof acht hiertoe van belang dat het in deze zaak gaat om een door de kantonrechter ambtshalve te nemen beslissing, waarbij de reden waarom belang bestaat bij de weergave van het standpunt van de vertegenwoordiger van de officier van justitie (namelijk in verband met de bevoegdheid die deze heeft tot intrekking of wijziging van de inleidende beschikking) geen opgeld doet.
4. Het bezwaar treft geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
5. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om het arrest te ondertekenen.