Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een geschil tussen de ouders over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om kennis te nemen van een verzoek tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van hun minderjarige kinderen die bij de moeder in Duitsland wonen.
De rechtbank Noord-Nederland had op 16 april 2019 in een tussenbeschikking de Nederlandse rechter bevoegd verklaard. De moeder stelde zich hiertegen in hoger beroep, maar het hof overweegt dat een beslissing over rechterlijke bevoegdheid een tussenbeschikking is waarop hoger beroep slechts tegelijk met de eindbeschikking mogelijk is, tenzij anders bepaald.
Omdat de rechtbank geen afwijkende beslissing had genomen, verklaart het hof het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk. De zaak wordt verder op de stukken afgedaan zonder mondelinge behandeling. De vader verzocht om bekrachtiging van de tussenbeschikking, hetgeen het hof toewijst door het beroep van de moeder te verwerpen.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk en bekrachtigt de tussenbeschikking van de rechtbank.