Uitspraak
[appellant],
Univé,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond centraal of appellant, verzekerde, betrokken was bij brandstichting en of hij tegenbewijs kon leveren tegen het voorshands bewezen feit van zijn betrokkenheid. Na een tussenarrest waarin appellant een bewijsopdracht kreeg, heeft hij getuigen gehoord en stukken ingebracht ter onderbouwing van zijn verweer.
Appellant stelde dat er geen sleutelhouder het pand was binnengegaan tijdens het tijdstip van de brand en dat de brandstichter mogelijk via braak het pand was binnengedrongen. Hij wees op een slechte familieverhouding en mogelijke bedreigingen door andere familieleden. Het hof oordeelde echter dat de alternatieve scenario's onvoldoende aannemelijk waren, mede omdat er geen braaksporen waren en de deur aan de achterzijde buiten het camerabereik viel.
Het hof stelde vast dat appellant een groot deel van de dag in het pand verbleef, vlak voor de brand vertrok, en dat de brandconstructies veel voorbereiding vereisten. De betrokkenheid van appellant werd met redelijke mate van zekerheid vastgesteld, ondanks het ontbreken van positief DNA-bewijs. De grieven van appellant faalden, het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat appellant niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs en bekrachtigt het vonnis waarbij de verzekeraar de uitkering mocht weigeren.