Appellante werd op 18 april 2017 aangehouden op verdenking van een strafbaar feit en bracht twee dagen in verzekering door. De strafzaak eindigde op 29 november 2017 met een beleidssepot vanwege haar geringe aandeel in het delict.
Zij verzocht om vergoeding van de detentiedagen en de kosten van het verzoekschrift. De rechtbank wees dit verzoek af, stellende dat niet onmiskenbaar was dat geen straf zou worden opgelegd en dat het verzoek van de advocaat op voorhand afgewezen had kunnen worden.
In hoger beroep oordeelde het hof dat het criterium van de rechtbank niet in lijn was met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het hof stelde vast dat niet onmiskenbaar was dat appellante veroordeeld zou zijn geweest en kende daarom een vergoeding toe van €105 per dag detentie, totaal €210, plus €1.100 aan proceskosten.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en beval uitbetaling van in totaal €1.310 ten laste van de Staat.