ECLI:NL:GHARL:2020:1981

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2020
Publicatiedatum
6 maart 2020
Zaaknummer
19/00232 en 19/00233
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Wet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag en verzuimboete omzetbelasting na boekenonderzoek

Belanghebbende, een administratiekantoor, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2011 tot en met 2014 na een boekenonderzoek. De Inspecteur legde ook een verzuimboete van 10% op over 2012-2014 wegens te weinig betaalde omzetbelasting. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over vermindering van de nageheven omzetbelasting tot €11.605 en over proceskostenvergoeding. Het Hof vernietigde de naheffingsaanslag en heffingsrente over 2011 en verminderde de aanslag en belastingrente over 2012-2014. De verzuimboete werd verminderd tot €450, omdat belanghebbende onterecht bedragen in aftrek had gebracht die via een apart verzoek hadden moeten worden teruggevraagd.

Het Hof oordeelde dat belanghebbende als ondernemer had moeten weten dat haar handelwijze niet was toegestaan en dat geen sprake was van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van schuld. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak is gedaan op 3 maart 2020.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de aanslag en heffingsrente over 2011, vermindert de aanslag, rente en boete over 2012-2014 en veroordeelt de Inspecteur tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers 19/00232 en 19/00233
uitspraakdatum: 3 maart 2020
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2019, nummers AWB 18/1197 en 18/1199, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Bij beschikking is heffingsrente berekend.
1.2.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een boete opgelegd.
1.3.
De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2020. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] als gemachtigde van belanghebbende en namens de Inspecteur [B] en [C] , vergezeld van [D] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende exploiteert een administratiekantoor en is hiervoor ondernemer voor de heffing van omzetbelasting.
2.2.
Belanghebbende heeft over de jaren 2011 tot en met 2014 aangiften omzetbelasting gedaan.
2.3.
De Inspecteur heeft een boekenonderzoek aangekondigd bij belanghebbende. Naar aanleiding van het op 2 februari 2017 afgeronde boekenonderzoek heeft de Inspecteur aan belanghebbende over de jaren 2011 tot en met 2014 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. Ook heeft de Inspecteur over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een verzuimboete opgelegd van 10% van de nageheven omzetbelasting.
2.4.
Ter zitting van het Hof zijn partijen overeengekomen dat de nageheven omzetbelasting wordt verminderd tot € 7.105 + € 4.500 = € 11.605. Voor de berekening van de heffingsrente c.q. de belastingrente mag de voor belanghebbende gunstigste verdeling over de twee naheffingsaanslagen worden toegepast. Ook hebben partijen overeenstemming bereikt over de aan belanghebbende te vergoeden proceskosten, namelijk € 24 reiskosten en € 150 verletkosten per zitting. Het Hof zal deze vergoeding voor de beroepsfase en de hogerberoepsfase aan belanghebbende toekennen.

3.Geschil

In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat bij een bevestigend antwoord het boetebedrag ten hoogste € 450 is.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen betekent een vermindering van de verschuldigde belasting met in totaal € 12.013. In verband met de beoogde beperking van de verschuldigde rente rekent het Hof hiervan € 6.914 toe aan het jaar 2011 en € 5.099 aan het jaar 2012. Dat moet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de rentebeschikking voor het jaar 2011 en vermindering van de naheffingsaanslag over het tijdvak 2012 tot en met 2014 tot een bedrag van € 11.605, waarvan is toe te rekenen aan de jaren 2012 tot en met 2014 respectievelijk € 3.139, € 5.215 en € 3.251. De belastingrente moet dienovereenkomstig worden verminderd.
4.2.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een verzuimboete opgelegd van 10%. Een verzuimboete is bedoeld om naleving van de voorschriften in te scherpen. Aanwezigheid van enigerlei mate van verwijtbaarheid is niet vereist. De enkele niet-naleving van een verplichting is voldoende om een verzuimboete te belopen. De Inspecteur heeft de verzuimboete opgelegd omdat belanghebbende te weinig omzetbelasting zou hebben betaald. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij de omzetbelasting begrepen in de oninbare debiteuren terecht heeft teruggevraagd. Er is sprake van een pleitbaar standpunt dan wel afwezigheid van alle schuld.
4.3.
Zoals hiervoor is overwogen, heeft het Hof ervoor gekozen de naheffingsaanslag voor het oudste tijdvak te vernietigen. Dit heeft tot gevolg dat ook de beschikking heffingsrente over dit tijdvak dient te worden vernietigd. Het Hof zal beoordelen of voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een verzuimboete van hoogstens € 450 passend en geboden is. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Belanghebbende heeft in de aangiften omzetbelasting bedragen in aftrek gebracht die via een apart verzoek (artikel 29 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, tekst tot 1 januari 2017) hadden moeten worden teruggevraagd. Daarnaast volgt uit het gesloten compromis dat zij haar aanspraak op teruggaaf in ieder geval tot een bedrag van € 4.500 niet aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft daardoor in het onderhavige tijdvak te weinig omzetbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende exploiteert een administratiekantoor en had kunnen of moeten weten dat haar handelwijze niet was toegestaan. Van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld is geen sprake. De correctie is bij wijze van compromis verminderd tot € 4.500. Het Hof acht een verzuimboete van € 450 passend en geboden.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op reis en verletkosten, in totaal begroot op € 348.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,
– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,
– vernietigt de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011,
– vernietigt de beschikking heffingsrente,
– vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 tot € 11.605,
– vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,
– vermindert de verzuimboete over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 tot € 450,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 348,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 170 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 128 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. S.M. Evers en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op 3 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema) (A. van Dongen)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 maart 2020.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.