Belanghebbende parkeerde op 4 april 2017 zijn auto aan de Walburgstraat te Arnhem waar uitsluitend tegen betaling mocht worden geparkeerd. Bij controle werd geen geldig parkeerkaartje aangetroffen, waarna de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting oplegde van €63,85.
Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat de naheffingsaanslag onterecht was, onder meer vanwege vermeende onzorgvuldigheid en vooringenomenheid van de heffingsambtenaar en rechtbank, alsmede schending van zijn privacy. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het hof bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was, ondanks dat belanghebbende niet tijdig griffierecht betaalde vanwege financiële omstandigheden. Het hof vond geen aanwijzingen voor onzorgvuldigheid, vooringenomenheid of privacy-schending. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd omdat belanghebbende niet had voldaan aan de parkeerbelastingplicht en het parkeerkaartje was verlopen.
Belanghebbende was niet verschenen bij de zittingen, en een na sluiting van het onderzoek ingediend stuk werd buiten beschouwing gelaten. Het hof wees het hoger beroep af en zag geen aanleiding tot vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd op 11 februari 2020 in het openbaar uitgesproken door voorzitter mr. R.A.V. Boxem.