ECLI:NL:GHARL:2020:1185

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 februari 2020
Publicatiedatum
12 februari 2020
Zaaknummer
200.267.533
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 237 lid 1 RvArt. 353 lid 1 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging hoger beroepszaken bouwgebreken woning en vrijwaringsvordering

In deze zaak gaat het om een incident tot voeging van twee hoger beroepszaken: de hoofdzaak over een vordering wegens bouwgebreken aan een woning en een vrijwaringszaak tussen partijen. De kantonrechter had beide zaken in eerste aanleg afgewezen. De appellant verzocht het hof om de twee hoger beroepszaken te voegen, wat door de geïntimeerde werd bestreden.

Het hof overweegt dat voeging op grond van artikel 222 Rv Pro mogelijk is indien zaken verknocht zijn en gelijktijdig bij dezelfde rechter aanhangig zijn. Gezien de verwevenheid van de bouwtechnische beoordeling van de schoorsteen en het rookkanaal in beide zaken, bestaat het risico van tegenstrijdige uitspraken. Daarom acht het hof voeging passend om de zaken efficiënt en consistent te behandelen.

Het hof wijst het verzet tegen voeging af, veroordeelt de geïntimeerde in de kosten van het incident en bepaalt dat de mondelinge behandeling van beide zaken gelijktijdig zal plaatsvinden. Verdere beslissingen worden aangehouden totdat de gezamenlijke behandeling heeft plaatsgevonden.

Uitkomst: Het hof voegt de twee hoger beroepszaken samen en veroordeelt de geïntimeerde in de kosten van het incident.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.267.533
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, kantonrechter Utrecht: 7146739)
arrest van 11 februari 2020
in het incident tot voeging (artikel 222 Rv Pro) tussen
[appellante]en
[appellant]
beiden wonende in [A] ,
appellanten in het hoger beroep, eisers in het incident tot voeging,
in eerste aanleg: eisers tot vrijwaring,
hierna: [appellanten] ,
advocaat: mr. R.A.M. Saedt,
en:
[geïntimeerde],
wonende in [B] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak in hoger beroep, verweerder in het incident tot voeging,
in eerste aanleg: gedaagde tot vrijwaring,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. D.F. Fransen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het verloop van het geding in eerste aanleg blijkt uit het vonnis van 3 juli 2019 van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) in de vrijwaringszaak tussen partijen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 oktober 2019,
- de incidentele conclusie tot voeging,
- de memorie van antwoord in het incident ex artikel 222 Rv Pro.
2.2
Partijen hebben de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

2.De motivering van de beslissing in het incident tot voeging

de eerste aanleg

2.1
[appellanten] hebben in de hoofdzaak in eerste aanleg verweer gevoerd tegen vorderingen van [C] (verder: [C] ). Volgens [C] hebben [appellanten] hen een woning verkocht waarvan de schoorsteen en/of het rookkanaal bouwkundig gebrekkig waren en zijn [appellanten] verplicht om de schade te vergoeden die het gevolg was van die gebrekkigheid.
hebben [geïntimeerde] gedagvaard om hen te vrijwaren: omdat [geïntimeerde] bij bouwwerkzaamheden fouten zou hebben gemaakt is hij volgens [appellanten] verplicht om al wat [appellanten] volgens het eindvonnis in de hoofdzaak aan [C] zullen moeten betalen, aan [appellanten] te vergoeden.
2.2
De kantonrechter heeft in twee vonnissen van 3 juli 2019 de vorderingen in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak afgewezen.
de twee procedures in hoger beroep
2.3
[C] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de hoofdzaak. Hun hoger beroep is bij dit hof aanhangig en heeft zaaknummer 200.267.483 gekregen.
In die zaak had het hof een mondelinge behandeling bepaald, waarvan de datum is uitgesteld vanwege het incident dat in dit arrest wordt beoordeeld.
2.4
[appellanten] hebben op hun beurt hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis in de vrijwaringszaak. Dit is het hoger beroep waarin dit arrest wordt uitgesproken. Allereerst hebben [appellanten] gevorderd om de twee hoger beroepszaken met elkaar te voegen. [geïntimeerde] heeft zich daartegen verzet.
wat het hof vindt
2.5
Voeging volgens artikel 222 Rv Pro kan worden gevorderd wanneer het gaat om ‘verknochte’ zaken die tegelijk voor dezelfde rechter aanhangig zijn. Het hof zal de twee zaken voegen omdat de zaken aan dit vereiste voldoen: indien [appellanten] in de hoger beroepszaak met nummer 200.267.483 alsnog worden veroordeeld om aan [C] schade te vergoeden, zal de in eerste aanleg gegeven beslissing in de vrijwaringszaak op losse schroeven staan. In dat geval zal de uitkomst van de vrijwaringsprocedure onder meer afhangen van de vraag in hoeverre de schoorsteen en/of het rookkanaal bouwtechnisch niet in orde waren, zoals in de hoofdzaak eveneens moet worden beoordeeld. Gelet hierop bestaat het gevaar dat er in de afzonderlijke hoger beroepszaken verschillend wordt geoordeeld, bijvoorbeeld over de bouwtechnische staat van de schoorsteen/het rookkanaal. Voeging kan dat voorkomen en maakt het overigens ook makkelijker om het verloop van de twee zaken op elkaar af te stemmen.
Door de voeging blijven de vorderingen hun zelfstandigheid behouden (HR 21 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2500) en wordt de partij in de ene zaak niet automatisch partij in de andere zaak (HR 21 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2904).
de proceskosten in dit incident
2.6
De partij die in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld (zie artikel 237 lid 1 Rv Pro en artikel 353 lid 1 Rv Pro). Dit betekent dat het hof een kostenveroordeling moet uitspreken, ook al heeft [appellanten] dat niet met zoveel woorden geëist (zie HR 28 november 1986, NJ 1987/380).
In dit incident wordt [geïntimeerde] in het ongelijk gesteld. Daarom zal het hof hem in de kosten van dit incident veroordelen. De hoogte van die kosten wordt bepaald op € 1.074: dit is het bedrag dat wordt vergoed vanwege het feit dat [appellanten] advocatenkosten hebben gemaakt. Het gaat om één punt van tarief II van het liquidatietarief, dat is het tarief dat gebruikelijk wordt toegepast.

3.De motivering van de beslissing in de hoofdzaak

Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen, zoals in de zaak met nummer 200.267.483 al is gebeurd bij arrest van 19 november 2019. De twee zaken zullen dan dus tegelijk mondeling worden behandeld. Verdere beslissingen worden aangehouden.

4.De beslissing

Het hof, recht doende:
in het incident:
voegt de onderhavige zaak met de zaak met nummer 200.267.483;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.074 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
bepaalt dat deze zaak mondeling zal worden behandeld tegelijk met de zaak met nummer 200.267.483, op een enkelvoudige zitting van dit hof in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, dit op de dag en tijd die voor beide zaken door de raadsheer-commissaris nog zal worden vastgesteld;
bij deze behandeling bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;
bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten op die zitting zullen verschijnen;
draagt de behandeling op aan mr. H.E. de Boer, als raadsheer-commissaris;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proces-handeling wil verrichten of producties in het geding wil brengen, deze partij ervoor moet zorgen dat de raadsheer-commissaris en de wederpartij(en)
uiterlijk twee wekenvoor de dag van de zitting een afschrift van de proceshandeling en/of de producties hebben ontvangen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, Th.C.M. Willemse en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.