Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige verlengde tot 17 augustus 2021. De moeder betwist de duur van de verlenging en verzoekt om een kortere termijn van een half jaar. De GI verdedigt de noodzaak van de verlenging.
De minderjarige is sinds december 2018 uit huis geplaatst vanwege zorgen over de draagkracht van de moeder. De GI stelt dat de moeder onvoldoende heeft gewerkt aan haar problemen, terwijl de moeder wijst op positieve ontwikkelingen bij haar jongste kind en haar inzet voor hulpverlening. Het hof constateert dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd waarom een verlenging van een jaar noodzakelijk is, mede gezien het positieve afsluitplan van de jongste minderjarige.
Het hof oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moet worden, maar slechts voor negen maanden tot 13 mei 2021. Dit geeft de GI ruimte om een nieuw onderbouwd verzoek in te dienen. Het hof wijst het verzoek van de moeder tot een termijn van zes maanden af, evenals het verzoek tot beëindiging van de uithuisplaatsing. De uitvoering van de machtiging is aan de GI.
De beschikking van de kinderrechter wordt vernietigd voor zover deze de duur van de uithuisplaatsing betreft en het hof neemt een nieuwe beslissing over de termijn.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd tot 13 mei 2021, korter dan de door de kinderrechter bepaalde termijn.