ECLI:NL:GHARL:2020:10400

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 december 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.247.058/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 62 RVV 1990
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestuurlijke sanctie wegens ontbreken bewijs juiste bebording bij geslotenverklaring

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het negeren van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen (bord C12) op 23 december 2016 op de Veenendaalseweg in De Klomp. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene tegen deze sanctie ongegrond en wees een proceskostenvergoeding toe.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde van de betrokkene dat de kantonrechter ten onrechte aannam dat de bebording correct was, omdat het bewijs bestond uit een ongedateerde foto en algemene informatie over de situatie op een andere datum, zonder concrete aanwijzingen dat het bord op het moment van de overtreding aanwezig was.

Het hof stelde vast dat de foto geen bord C12 toonde en dat de overige stukken onvoldoende waren om de aanwezigheid van het bord aan te tonen. Omdat de overtreding geautomatiseerd met camera was vastgesteld, ontbrak een waarneming van de ambtenaar ter plaatse. Het hof vernietigde daarom de sanctiebeschikking en bepaalde dat het bedrag aan de betrokkene wordt gerestitueerd. Tevens werd de proceskostenvergoeding aan de betrokkene toegekend.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens overtreding van de geslotenverklaring wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van correcte bebording.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.247.058/01
CJIB-nummer
: 204055054
Uitspraak d.d.
: 14 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 3 augustus 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 249,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12/20”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 december 2016 om 15.25 uur op de Veenendaalseweg in De Klomp met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
2. De gronden richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard en een proceskostenvergoeding is toegewezen. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte aannemelijk heeft geacht dat de bebording correct was. Het oordeel van de kantonrechter is gegrond op een door de officier van justitie ingebracht stuk met algemene informatie over de situatie op 28 mei 2013 en met één foto zonder datum, terwijl ook onduidelijk is of de betrokkene die route zou hebben gereden. Dit stuk kan niet dienen tot een begin van bewijs dat op de dag van de vermeende gedraging de bebording juist was. De kantonrechter verwijst in dit verband ten onrechte naar het arrest van het hof van 16 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6520, aangezien de betrokkene in dat arrest had toegegeven dat het bord er stond terwijl daarvan in casu geen sprake is.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Overtreden artikel: 62 jo. bord C12 RVV 1990 (…)
Voertuig kwam uit de richting van Veenendaal en reed in de richting van De Klomp. Voertuig negeerde bord C12.”
4. Verder bevindt zich in het dossier een foto. Daarop is de achterzijde van het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] te zien. Op de foto is geen bord C12 zichtbaar. In het fotobijschrift staan de volgende gegevens:
“23/12/2016 (…)
15:25:38 (…)
Locatie: Richting De Klomp”.
5. Bij de kantonrechter heeft de officier van justitie een schriftelijke reactie ingezonden. In deze schriftelijke reactie is verwezen naar een bijlage met algemene informatie ten aanzien van de locatie, waarin is aangegeven welke bebording ter plaatse is aangebracht. Deze bijlage bevat - kort samengevat - een kaart met een overzicht betreffende borden vanaf 28 mei 2013, een afbeelding van een vooraankondiging betreffende borden C12 en een weergave van een bord C12.
6. Op basis van de foto kan niet worden vastgesteld dat een bord C12 ten tijde van de gedraging aanwezig was. Op basis van de door de officier van justitie ingebrachte algemene informatie waarbij wordt verwezen naar voornoemde bijlage kan evenmin worden vastgesteld dat ten tijde van de gedraging een bord C12 op de pleeglocatie aanwezig was. Naar het oordeel van het hof is voorts niet aannemelijk geworden dat hetgeen in deze zaak in het zaakoverzicht staat opgenomen over de bebording op de pleeglocatie een waarneming van de ambtenaar betreft van de aanwezigheid van de bebording ten tijde van de gedraging. In dit verband wijst het hof erop dat uit voormelde informatie van de officier van justitie blijkt dat de gedraging geautomatiseerd met behulp van een camera is vastgesteld. Gelet op het voorgaande kan niet op basis van de gegevens in het dossier worden vastgesteld dat het bord C12 deugdelijk stond geplaatst. Het dossier bevat geen andere stukken waaruit blijkt dat zodanig bord stond geplaatst op de pleeglocatie (vgl. het arrest van het hof van 21 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:4372). Het hof ziet geen aanleiding om in deze stand van het geding alsnog nadere stukken dienaangaande op te vragen. De inleidende beschikking kan derhalve niet in stand blijven.
7. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard, vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen. Het hof zal de inleidende beschikking vernietigen en bepalen dat het tot zekerheid gestelde bedrag wordt gerestitueerd. Deze beslissing brengt tevens mee dat de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om toekenning van proceskostenvergoeding niet in stand kan blijven. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven geen bespreking meer.
8. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, bestaat aanleiding voor toekenning van de verzochte proceskostenvergoeding. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. Voor het indienen van dupliek dient voorts een halve punt te worden toegekend (vgl. het arrest van het hof van 26 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2810). De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.050,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen;
vernietigt de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 204055054 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.050,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.