ECLI:NL:GHARL:2019:9490

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
5 november 2019
Zaaknummer
200.236.648
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 lid 1 RvArt. 7:751 BWArt. 6:74 BWArt. 6:76 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aansprakelijkheid voor lekkage en waterverbruik in appartement

Deze zaak betreft een geschil tussen Emo Groep B.V. en [geïntimeerde] B.V. over aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door lekkage in een waterbesparend watersysteem in een appartement. Emo had het appartement gekocht en verhuurd aan een huurder die Emo aansprakelijk stelde voor een hoge waterrekening door lekkage. Emo stelde vervolgens [geïntimeerde] aansprakelijk op grond van de koop-aannemingsovereenkomst, algemene voorwaarden en wettelijke bepalingen.

De kantonrechter wees de vordering af omdat de garantietermijn was verlopen en Emo onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van een gebrek dat aan [geïntimeerde] kon worden toegerekend. In hoger beroep voerde Emo drie grieven aan, maar het hof oordeelde dat Emo niet voldeed aan de stelplicht omtrent het bestaan van een gebrek en de toerekenbare tekortkoming. De enkele stelling van een hoge waterrekening was onvoldoende, en eerdere gebreken in andere appartementen waren niet relevant voor het betreffende appartement.

Het hof bevestigde daarom het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde Emo in de kosten van het hoger beroep. Het hof zag geen aanleiding om tot bewijslevering over te gaan vanwege het ontbreken van voldoende concrete stellingen door Emo.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van Emo af wegens onvoldoende stelling en onderbouwing van een gebrek en toerekenbare tekortkoming.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.236.648/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 6084183 UC EXPL 17-8503)
arrest van 5 november 2019
in de zaak van
EMO GROEP B.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: Emo,
advocaat: mr. R.J.C. Bindels,
tegen:
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. P.C.W. Viëtor.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 13 december 2017 dat de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, sector kanton) heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van Emo,
- de memorie van grieven,
- de memorie van antwoord, met één productie.
2.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1.
Deze zaak gaat over het volgende. [geïntimeerde] is een projectontwikkelaar tevens bouwonderneming van vastgoed en heeft een appartementencomplex, aan [adres] , bestaande uit vijftien appartementen ontwikkeld. In de badkamers van deze appartementen zijn waterbesparende watersystemen aangelegd. Emo heeft op 3 september 2010 een koop- aannemingsovereenkomst gesloten met [geïntimeerde] voor appartement [nummer] (hierna: het appartement). Emo heeft het appartement verhuurd aan [huurder] (hierna: [huurder] ). Bij brief van 1 augustus 2016 heeft [huurder] Emo aansprakelijk gesteld voor schade ten gevolge van lekkage in de douchegoot. Op 27 september 2016 heeft Emo [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld. Emo heeft bij de kantonrechter gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 1.656,49 (welk bedrag bestaat uit de waternota van [huurder] van € 1.782,91 verminderd met kosten van het normale watergebruik van [huurder] ) en tot betaling van de kosten van reparatie van het waterbesparende watersysteem, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat nu er geen aanwijzingen zijn dat de totale vordering van Emo minder beloopt dan € 1.750,00, Emo van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep kan komen, zoals bepaald in artikel 332 lid 1 Rv Pro. Emo heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] op grond van de in de koop- aannemingsovereenkomst opgenomen garantieregeling (artikel 2.3.) en de algemene voorwaarden alsmede op grond van artikel 7:751 BW Pro in verbinding met artikel 6:74 en Pro 6:76 BW, aansprakelijk is voor de schade die Emo aan [huurder] heeft vergoed. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen omdat, kort gezegd, de garantietermijn is verlopen. De waternota die Emo aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd heeft betrekking op de periode van 24 maart 2015 tot 22 april 2016 en de garantie is verlopen op 20 maart 2015. De kantonrechter heeft Emo veroordeeld in de proceskosten.
3.2.
Emo is in hoger beroep gekomen met in totaal drie grieven.
3.3.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep betwist dat sprake is van een gebrek aan het aangelegde waterbesparende watersysteem in het appartement van [huurder] , dat er sprake zou zijn van een hoog waterverbruik van [huurder] en dat het hoge waterverbruik in 2015 en 2016 een gevolg is van een aan [geïntimeerde] toe te rekenen tekortkoming. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft Emo onvoldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk zou zijn. De enkele stelling dat [huurder] – wat daar verder ook van zij – een ongebruikelijk hoge waterrekening heeft gehad, is onvoldoende om een aan [geïntimeerde] toe te rekenen tekortkoming aan te kunnen nemen. Emo werkt in het geheel niet uit wat de tekortkoming is en ook voor het hof is onduidelijk om wat voor een gebrek het gaat. Ook is onvoldoende dat er omstreeks 2013 in andere appartementen een gebrek aan het waterbesparende watersysteem is vastgesteld. Dat zegt immers nog niets over de toestand van dat systeem in 2015 en 2016 in het appartement van [huurder] . De conclusie is dan ook dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat sprake is van een gebrek aan het aangelegde waterbesparende watersysteem in het appartement van [huurder] zodat het hof niet toekomt aan de verdere beoordeling of er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] jegens Emo of dat een eventueel gebrek al dan niet onder de garantie zou vallen. Dit betekent dat reeds hierom alle grieven falen. Nu reeds niet is voldaan aan de stelplicht komt het hof niet toe aan bewijslevering.
3.4.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Emo in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 726,00
- salaris advocaat € 759,00 (1 punt x tarief 759,00).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Midden-Nederland, locatie Utrecht van 13 december 2017;
4.2.
veroordeelt Emo in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 726,00 voor verschotten en op € 759,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
4.3.
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, O.G.H. Milar en H.F.P. van Gastel, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.