ECLI:NL:GHARL:2019:8861

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 oktober 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
21-003880-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:53 APV Groningen 2009Art. 1 GrondwetArt. 120 GrondwetArt. 147 GemeentewetArt. 149 Gemeentewet
Verwijzingen
19 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen overtreding hondenaanlijnplicht APV Groningen 2009

Verdachte werd veroordeeld voor het niet aangelijnd laten lopen van zijn hond op een weg binnen de bebouwde kom van Groningen, in strijd met artikel 2:53 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Groningen 2009. Hij stelde dat deze bepaling discriminerend is omdat zij alleen hondenbezitters treft en niet eigenaren van andere huisdieren zoals katten, en dat het aanlijngebod in strijd is met de Grondwet en internationale antidiscriminatiebepalingen.

Het hof onderzocht de bevoegdheid van de gemeenteraad om dergelijke verordeningen vast te stellen en oordeelde dat de APV als lagere regelgeving wel getoetst kan worden aan hogere regelgeving zoals de Grondwet en internationale verdragen. Het hof stelde vast dat het onderscheid tussen hondenbezitters en anderen niet discriminerend is, mede vanwege het belang van verkeersveiligheid, bescherming van eigendommen en het voorkomen van overlast.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis wegens procedurele gebreken en deed opnieuw recht. Het verklaarde het bewezenverklaarde strafbaar en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke geldboete van €90 met een proeftijd van één jaar. De straf werd passend geacht gezien de aard van het feit en de principiële kwestie die verdachte aan de orde stelde.

De APV-bepaling werd bevestigd als verbindend en niet in strijd met hogere regelgeving. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen. Hiermee werd het belang van lokale regelgeving en de redelijkheid van het aanlijngebod benadrukt.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €90 wegens overtreding van het aanlijngebod in artikel 2:53 APV Groningen 2009.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003880-17
Uitspraak d.d.: 22 oktober 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2017 met parketnummer 96-165203-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 oktober 2019. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot oplegging van een voorwaardelijke geldboete van € 90,-, subsidiair 1 dag vervangende hechtenis, met een proeftijd van één jaar. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 90,-, subsidiair 1 dag vervangende hechtenis, met een proeftijd van één jaar.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 395a Sv is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Het hof doet opnieuw recht.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 21 januari 2016, te Groningen, als eigenaar of houder van één of meer hond(en), die hond(en) heeft laten lopen of verblijven op een weg binnen de bebouwde kom, te weten [straat] , zonder dat die hond(en) was/waren aangelijnd.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 januari 2016, te Groningen, als eigenaar een hond, die hond heeft laten lopen op een weg binnen de bebouwde kom, te weten [straat] , zonder dat die hond was aangelijnd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Verbindendheid van de verordening

De standpunten van verdachte en het Openbaar Ministerie
Verdachte stelt zich op het standpunt dat artikel 2:53 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009 (hierna: de APV) onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met antidiscriminatiebepalingen die in de Grondwet en internationale verdragen zijn opgenomen. Verdachte beschouwt het als een fundamenteel recht om vrij rond te lopen, met of zonder hond. Het aanlijngebod in de APV, dat zich specifiek richt op hondenbezitters in de gemeente Groningen, is discriminerend, aangezien kattenbezitters en inwoners van gemeenten zonder een dergelijke bepaling er niet aan zijn gebonden. Ook andere regelgeving die exclusief op hondenbezitters is gericht, zoals hondenbelasting, maakt volgens verdachte een ongeoorloofd onderscheid.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de verbindendheid van een APV niet aan de Grondwet kan worden getoetst. De gemeenteraad is een democratisch gekozen orgaan, dat zelfstandig bevoegd is regels te stellen. De rechter kan de juistheid van deze regelgeving niet toetsen. Burgers die zich niet in een verordening kunnen vinden, moeten langs politieke weg proberen een wijziging daarvan te bewerkstelligen.
Het oordeel van het hof
Op grond van artikel 120 van Pro de Grondwet is het de rechter niet toegestaan wetten en verdragen te toetsen aan de Grondwet. De APV is geen wet in formele zin, zodat het hof de bepalingen van de APV wel kan toetsen aan de Grondwet. Het hof is gehouden de in de APV opgenomen bepalingen buiten toepassing te laten indien en voor zover die in strijd zijn of anderszins onverenigbaar zijn met hogere regelgeving (
lex superior derogat legi inferiori). Dit brengt mee dat het hof in de onderhavige zaak zal moeten beoordelen of artikel 2:53 van Pro de APV in strijd is met artikel 1 van Pro de Grondwet in het bijzonder en – meer in het algemeen – antidiscriminatiebepalingen in internationale (mensenrechten)verdragen. De gemene deler van deze bepalingen is dat het niet geoorloofd is onderscheid te maken tussen gelijke gevallen.
De gemeenteraad is op grond van artikel 147 van Pro de Gemeentewet (Gemw) bevoegd gemeentelijke verordeningen vast te stellen. Artikel 149 Gemw Pro bepaalt dat de raad de verordeningen maakt die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. Artikel 154 Gemw Pro geeft de gemeenteraad de bevoegdheid overtreding van zijn verordeningen strafbaar te stellen.
De autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad brengt met zich dat regelgeving per gemeente kan verschillen. Dit leidt ertoe dat gedragingen die in de ene gemeente strafbaar zijn gesteld in een andere gemeente niet strafbaar zijn. Dat is inherent aan de staatsrechtelijke structuur van de gedecentraliseerde eenheidstaat, waarin lagere overheden ten aanzien van zaken waarin hogere regelgeving niet voorziet een zelfstandige beoordelingsvrijheid toekomt. Het enkele feit dat in andere gemeenten geen aanlijnplicht zou gelden, kan dan ook niet als discriminerend worden aangemerkt ten aanzien van hondenbezitters in gemeenten waarin deze plicht wel geldt. In zoverre kan het verweer niet slagen.
De tekst van artikel 2:53 van Pro de APV komt overeen met de tekst uit de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In de toelichting daarop wordt als motief voor de bepaling genoemd het voorkomen en bestrijden van overlast. Meer in het bijzonder is de bedoeling van het aanlijngebod het beschermen van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht, het voorkomen van beschadiging aan andermans eigendom, het voorkomen van hinder voor voetgangers, het bestrijden van verontreiniging en het voorkomen van schade en dierenleed als gevolg van het mogelijk aanvallen door honden van andere dieren.
De Hoge Raad heeft het in artikel 226, lid 1, Gemw opgenomen belastingrechtelijke onderscheid tussen hondenbezitters en andere personen niet in strijd geacht met de discriminatieverboden van artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). [1] Daartoe is overwogen dat de wetgever er in redelijkheid van uit kon gaan dat gemeenten in het algemeen kosten zullen maken als gevolg van bevuiling van openbare wegen en plaatsen door honden. Bij andere door mensen gehouden dieren pleegt dergelijke bevuiling zich niet, of in mindere mate, voor te doen. Gelet daarop is het in fiscale zin gemaakte onderscheid tussen hondenbezitters en andere personen toelaatbaar. Bepalingen omtrent de hondenbelasting kunnen niet worden getoetst aan de Grondwet nu de bepalingen die hierop zien rechtstreeks zijn ontleend aan de Gemeentewet, een wet in formele zin. Een en ander heeft de Hoge Raad in het in de voetnoot genoemde arrest ook bepaald.
Het hof is van oordeel dat ook het onderscheid dat in de APV wordt gemaakt tussen houders en bezitters van honden ten opzichte van andere personen toelaatbaar is. De gemeente heeft er, gelet op de hiervoor vermelde algemene belangen van onder meer (verkeers)veiligheid en de bescherming van eigendommen van derden, in redelijkheid toe kunnen overgaan het onaangelijnd laten rondlopen van honden wel en van katten niet te verbieden. Het algemeen belang kan vergen dat de vrijheid van een individu wordt beperkt. Een dergelijke inperking van de persoonlijke vrijheid levert geen discriminatie op als bedoeld in artikel 1 van Pro de Grondwet of in vergelijkbare bepalingen in internationale verdragen.
Het verweer slaagt niet. Artikel 2:53 van Pro de APV is verbindend.
Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van het bepaalde in artikel 2:53 lid Pro 1, aanhef en onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zijn hond uitgelaten zonder deze aan te lijnen. Voor gedragingen als deze wordt doorgaans de geldboete opgelegd zoals die voor dat feit is opgenomen in het Feitenboekje van het openbaar ministerie. In 2016 was het tarief voor deze gedraging vastgesteld op € 90. Het hof acht die straf in beginsel passend, maar ziet in het tijdsverloop en in de omstandigheid dat verdachte een principiële kwestie aan de orde heeft willen stellen aanleiding deze geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van één jaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2:53 en 6:1 van de Algemene Plaatselijke Verordening
Groningen 2009.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 17 februari 2016 onder CJIB-nummer 6132542002507227.
Ten aanzien van het bewezen verklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 90,00 (negentig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
1 (één) dag hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. Z.J. Oosting en mr. J.J. Beswerda, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 22 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.HR 18-10-2013, ECLI:NL:HR:2013:917.