ECLI:NL:GHARL:2019:8793

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 oktober 2019
Publicatiedatum
22 oktober 2019
Zaaknummer
200.267.352
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling door ouderconflict

De ouders van twee minderjarige kinderen, geboren in 2006 en 2008, hebben een affectieve relatie gehad die eind 2016 is geëindigd. De kinderen verblijven hoofdzakelijk bij de moeder. Sinds een beschikking van 7 februari 2019 hebben de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen, waartegen hoger beroep is ingesteld.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht het hof om de minderjarigen onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming West voor een periode van twaalf maanden. Dit verzoek werd gedaan omdat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de problematische verhouding tussen de ouders en de persoonlijke problematiek van de oudste minderjarige, die ook effect heeft op de jongere.

De oudste minderjarige is gediagnosticeerd met PDD NOS en vertoont ernstige gedragsproblemen. Er is noodzaak tot hulpverlening voor beide kinderen, maar deze kan niet structureel worden ingezet vanwege meningsverschillen tussen de ouders over de noodzakelijke zorg. De ouders en hun advocaten stemden tijdens de mondelinge behandeling in met de ondertoezichtstelling.

Het hof oordeelde dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW is voldaan. Het acht aannemelijk dat zonder ondertoezichtstelling de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat de noodzakelijke zorg door de ouders niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Tevens is de verwachting gerechtvaardigd dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kunnen dragen.

Het hof stelde de minderjarigen onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West voor de duur van twaalf maanden, met onmiddellijke uitvoerbaarheid van de beschikking.

Uitkomst: De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West voor twaalf maanden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.267.352
beschikking van 22 oktober 2019
inzake
de raad voor de kinderbescherming,
locatie Utrecht,
verzoeker,
verder te noemen: de raad,
en
[verweerster],
wonende te [A] ,
verweerster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.T. van Bentum te Nieuwegein,
en
[de vader],
wonende te [B] ,
verweerder,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens te Bussum.

1.Het geding

1.1
De mondelinge behandeling heeft op 8 oktober 2019 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is [C] verschenen.
1.2
De raad heeft op de mondelinge behandeling verzocht de hierna nader te noemen minderjarigen onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West voor, zo begrijpt het hof, de periode van twaalf maanden.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad die eind 2016 is geëindigd. Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2006 te [B] , en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2008 te [B] .
De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
2.2
De moeder had tot de beschikking van 7 februari 2019 alleen het gezag over de kinderen. Sinds die beschikking hebben de ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen. Tegen de beschikking van 7 februari 2019 is hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is behandeld op de mondelinge behandeling van 8 oktober 2019. De beslissing op dat hoger beroep volgt nog.

3.De motivering van de beslissing

3.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
3.2
De raad stelt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door de problematische verhouding tussen de ouders en de persoonlijke problematiek van [de minderjarige1] , die ook zijn weerslag heeft op [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is gediagnosticeerd met PDD NOS en heeft ernstige gedragsproblemen. Hulpverlening voor beide kinderen is noodzakelijk, maar kan niet structureel worden ingezet omdat er te veel meningsverschillen zijn tussen de ouders, onder meer over de noodzakelijk hulpverlening voor de kinderen. Er is op dit moment voldoende informatie over het gezin voorhanden van de Stichting [D] (in het kader van een drangtraject betrokken bij het gezin), de huisarts en de scholen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] om, als de ouders daarmee instemmen, over te gaan tot ondertoezichtstelling zonder dat er een raadsrapport is uitgebracht.
De doelen van de ondertoezichtstelling zijn:
  • De ouders leren op een andere manier met elkaar te communiceren en respecteren elkaar als ouder in hun ouderrol.
  • De kinderen zijn niet langer klem en verloren, of in ieder geval wordt het risico daarop teruggebracht.
  • Hulpverlening voor beide jongens komt zonder belemmeringen op gang. Hierin staat de behoefte van de kinderen centraal.
3.3
De vader, de moeder en hun advocaten hebben op de mondelinge behandeling van het hof gezegd dat zij instemmen met een ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.4
Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255, eerste lid, BW. Het hof acht het namelijk aannemelijk dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij het uitblijven van de verzochte ondertoezichtstelling zodanig zullen opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en dat de zorg die in verband met het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is voor hen of voor de ouders door de ouders niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. De verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders in staat zijn binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, te dragen.

4.De beslissing

Het hof:
stelt de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2006 te [B] , en [de minderjarige2] , geboren [in] 2008 te [B] , onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming West, Haaglanden, voor de duur van twaalf maanden vanaf heden, te weten tot 22 oktober 2020;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.U.M. van der Werff en A.L.H Ernes, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 22 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.