Uitspraak
[appellante],
CSG,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling van de grieven en de vordering
"ongedifferentieerde somatoforme stoornis".
21 augustus 2014 volledig arbeidsongeschikt was wegens de bij haar bestaande psychische stoornissen. Het rapport van de deskundige geeft aanleiding die conclusie in zoverre bij te stellen dat deze niet langer mede gebaseerd is op het bestaan van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. De deskundige bevestigt echter dat, zoals ook psychiater [C] vaststelde, al op 21 augustus 2014 sprake was van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een ernstige depressieve stoornis. Het gevergde tegenbewijs is met het rapport van de deskundige dus niet geleverd. Integendeel, het voorshandse bewijsoordeel wordt daardoor bevestigd.
1 december 2014 geldt het volgende. [appellante] heeft in deze procedure gesteld (grief I) dat bij toekenning van het loon moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 0,94 fte. Ook hier geldt dat over die arbeidsomvang in het tussenarrest reeds is geoordeeld dat deze niet meer bedraagt dan de overeengekomen 0,68 fte. Grief I faalt dus. Het hof gaat ervan uit dat CSG het op die arbeidsomvang (0,68 fte) gebaseerde loon met emolumenten over de nu besproken periode heeft betaald omdat CSG de verschuldigdheid daarvan in deze procedure niet heeft betwist. Het verstaat de vordering van [appellante] (vordering I, memorie van grieven onder 12.9) in dat licht bezien en in het licht van het partijdebat op dit punt (dat uitsluitend is gegaan over de extra arbeidsomvang) zo dat deze slechts ziet op de extra 0,12 en 0,14 fte. Die vordering wordt afgewezen.
3.De beslissing
22 oktober 2019.