Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zaaknummer 200.254.952/01van
verzoekster in hoger beroep,
1.[de vader] ,
zaaknummer 200.254.972/01van
1.[verzoekster] ,
verder te noemen: de moeder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de beëindiging van het gezag van de moeder en de vader over hun minderjarige kind, dat sinds kort na geboorte uit huis is geplaatst vanwege een zorgelijke opvoedingssituatie. De rechtbank had het gezag reeds beëindigd en een gecertificeerde instelling tot voogd benoemd. Zowel moeder als vader gingen in hoger beroep tegen deze beslissing.
Tijdens de procedure wijzigde de moeder haar standpunt en gaf aan vrijwillig mee te willen werken aan het laten opgroeien van het kind bij de pleegouders, maar betwistte de beëindiging van haar gezag. Het hof overwoog dat het belang van het kind voorop staat, waarbij stabiliteit, continuïteit en ongestoorde hechting in het pleeggezin essentieel zijn. Ondanks de bereidheid van de ouders tot medewerking, achtte het hof voortzetting van het gezag niet in het belang van het kind.
Het hof benadrukte dat de ouders ondanks de beëindiging van het gezag een rol blijven spelen in het leven van het kind, met recht op informatie en contact, mits dit het belang van het kind niet schaadt. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en stelde vast dat de aanvaardbare termijn voor herstel van het gezag ruimschoots was verstreken.
De uitspraak bevestigt het belang van het waarborgen van een stabiele en veilige opvoedingssituatie voor het kind en onderstreept de rol van de gecertificeerde instelling als voogd in het perspectief van het kind.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van beide ouders over de minderjarige en benoemt een gecertificeerde instelling tot voogd.