ECLI:NL:GHARL:2019:8448

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 oktober 2019
Publicatiedatum
15 oktober 2019
Zaaknummer
200.257.080
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 616 lid 3 sub a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-stellen zekerheidstelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 15 oktober 2019 het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet heeft voldaan aan de door het hof opgelegde zekerheidstelling. Het hof had eerder bepaald dat appellant binnen vier weken een bankgarantie moest stellen ten gunste van de geïntimeerden, maar appellant erkende dat zij niet over de benodigde financiële middelen beschikte en ook geen sponsors kon vinden.

De geïntimeerden hadden gevorderd dat appellant niet-ontvankelijk zou worden verklaard indien zij geen zekerheid stelde. Het hof volgde dit standpunt en paste analoog art. 616 lid 3 sub a Rv Pro toe. Hierdoor kwam het hof niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Daarnaast veroordeelde het hof appellant in de kosten van het incident en het hoger beroep, waarbij de kosten aan de zijde van de geïntimeerden werden vastgesteld op bedragen voor griffierecht en salaris advocaat. De kosten dienen binnen veertien dagen te worden voldaan, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

Het arrest is in het openbaar uitgesproken door de rechters Wattel, Wammes en Giesen.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet stellen van de zekerheidstelling en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.257.080
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 329475)
arrest in het incident van 15 oktober 2019
in de zaak van
[appellante],
wonende te [A] Ghana,
appellante in het hoger beroep,
verweerster in het incident,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. J.M. Stevers,
tegen:

1.de stichting Stichting Maastricht School of Management,

gevestigd te Maastricht,
hierna: MSM,
advocaat: mr. L.S. Kerkman,
2.
[geïntimeerde2],
wonende te [B] ,
hierna: [geïntimeerde2] ,
advocaat: M.A. Schuring,
3. de publiekrechtelijke rechtspersoon
Wageningen Universiteit/Wageningen University,
gevestigd te Wageningen,
hierna: WUR,
advocaat: mr. J. Becker,
4. de stichting
Stichting Nuffic,
gevestigd te Den Haag,
hierna: Nuffic,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
geïntimeerden in hoger beroep,
eisers in het incident.
Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk genoemd: MSM c.s.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 9 juli 2019 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de vier akten uitlating zekerheidstelling van MSM c.s.;
- de akte uitlaten van [appellante] .
1.3
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof (aanvullend) overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3.De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1
Bij arrest in het incident van 9 juli 2019 heeft het hof bevolen dat [appellante] binnen vier weken na de datum van het arrest zekerheid diende te stellen ten gunste van MSM, WUR en Nuffic voor een bedrag (voor ieder van hen) van € 4.202,00 en ten gunste van [geïntimeerde2] voor een bedrag van € 3.785,00. De zekerheid diende te worden gesteld in de vorm van een bankgarantie conform het model van de Nederlandse Vereniging van Banken.
3.2
Bij akten uitlating zekerheidstelling van 6 augustus 2019 heeft MSM c.s. aan het hof medegedeeld dat [appellante] de door het hof bepaalde zekerheid niet heeft gesteld.
3.3
In haar akte uitlaten van 3 september 2019 heeft [appellante] erkend dat zij de gevraagde zekerheid niet heeft gesteld. Zij heeft medegedeeld dat zij niet over de benodigde financiële middelen beschikt om de gevraagde garanties te geven en dat zij ook niet in staat is geweest om sponsors te vinden die haar daartoe in staat stellen. [appellante] heeft geen verlenging van de termijn gevraagd en refereert zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de voortzetting van de procedure in hoger beroep.
3.4
WUR, Nuffic en [geïntimeerde2] hebben in hun incidentele memories strekkende tot zekerheidstelling proceskosten al gevorderd dat [appellante] , indien zij geen zekerheid stelt,
niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof gaat ervan uit dat MSM dit eveneens heeft bedoeld. Nu [appellante] de bevolen zekerheid niet heeft gesteld, zal het hof, met (analoge) toepassing van art. 616 lid 3 sub a Rv Pro, [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

4.De slotsom

4.1
Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
4.2
Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld in het incident en niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het incident en het hoger beroep. De kosten voor het hoger beroep en het incident tezamen zullen aan de zijde van MSM, WUR en Nuffic voor ieder van hen worden vastgesteld op een bedrag van
€ 741,00 aan griffierecht en een bedrag van € 1.074,00 (te weten 1 punt x appeltarief II) voor salaris advocaat. De kosten voor het hoger beroep en het incident zullen aan de zijde van [geïntimeerde2] worden vastgesteld op een bedrag van € 324,00 aan griffierecht en een bedrag van
€ 1.074,00 voor salaris advocaat. Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen als hierna vermeld.

5.De beslissing

Het hof, recht doende:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2018;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, daaronder mede begrepen de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van MSM, WUR, Nuffic en [geïntimeerde2] , vastgesteld op de volgende bedragen:
MSM: € 741,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
WUR: € 741,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
Nuffic: € 741,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
[geïntimeerde2] : € 324,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
voormelde kosten van het incident en van het hoger beroep dienen door [appellante] te worden voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L Wattel, H. Wammes en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.