Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de partner.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak ging het om het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin ambtshalve een bijzondere curator was benoemd voor haar minderjarige kind in een procedure over vervangende toestemming tot erkenning.
De rechtbank had de bijzondere curator benoemd op grond van artikel 1:212 BW Pro om de belangen van de minderjarige te behartigen. De moeder richtte haar hoger beroep uitsluitend tegen deze benoeming, niet tegen de persoon van de curator.
Het hof oordeelde dat de beschikking tot benoeming van een bijzondere curator een tussenbeschikking is waartegen geen zelfstandig hoger beroep openstaat. Deze benoeming is een noodzakelijke stap in de procedure en maakt geen einde aan enig deel van het verzochte. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk.
Het hof overwoog verder dat eventuele bezwaren tegen een zelfstandig verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning in een latere procedure aan de orde kunnen komen. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door drie rechters en griffier op 24 september 2019.
Uitkomst: Het hof verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de benoeming van de bijzondere curator.