ECLI:NL:GHARL:2019:7309
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege openstaande schadevergoedingsmaatregel
Appellant en zijn echtgenote hebben bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees het verzoek van appellant af vanwege een openstaande schuld bij het CJIB voortvloeiend uit een schadevergoedingsmaatregel opgelegd bij een strafrechtelijke veroordeling voor verkrachting. De echtgenote werd wel toegelaten.
Appellant ging in hoger beroep en verzocht het vonnis te vernietigen en alsnog tot toelating te worden toegelaten, mede op grond van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw Pro. Het hof heeft het beroep afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn financiële situatie stabiel heeft en de verplichtingen uit de regeling kan nakomen.
Daarnaast speelt mee dat de benadeelde partij mogelijk een civiele procedure zal starten voor materiële schadevergoeding, waardoor nieuwe bovenmatige schulden kunnen ontstaan en de regeling tussentijds kan worden beëindigd. Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn arbeidsvermogen en inspanningen om aan verplichtingen te voldoen.
Een grief over het gebruik van het strafvonnis door de rechtbank wordt door het hof niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant het vonnis alsnog aan het hof heeft overgelegd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, appellant wordt niet toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.