Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
De Alliantie,
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde1]en
[geïntimeerde2],
en gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud):
[geïntimeerden],
1.Het verdere verloop van het geding
Vervolgens heeft De Alliantie de stukken opnieuw gefourneerd en arrest gevraagd. Het hof heeft daarop arrest bepaald.
2.De nadere beoordeling
het verzoek om heroverweging
.
De beide vaststellingen zijn voor het hof echter niet dragend geweest voor zijn voorshandse oordeel. Uit de opbouw van het tussenarrest blijkt dat de overwegingen 5.6 tot en met 5.9 dragend zijn geweest voor dat voorshandse oordeel. De door [geïntimeerden] betwiste vaststellingen maken van die overwegingen geen deel uit. Hoewel in het arrest inderdaad ten onrechte de onder 2.1.1 en 2.1.2 bedoelde vaststellingen zijn opgenomen, vormt dat voor het hof dus geen aanleiding om terug te komen op zijn voorshandse oordeel. Het hof zal de bewijslevering derhalve beoordelen op basis van zijn voorshandse oordeel.
Om dat tegenbewijs te leveren heeft [geïntimeerden] als getuigen laten horen:
a) zichzelf,
b) mw. [B] (wonend op [a-straat] nr. 46)
c) dhr. [C]
d) mw. [D] (wonende op [a-straat] nr. 47).
e) mw. [E] (wonend op [a-straat] nr. 44)
f) mw. [F] (wonend op [a-straat] nr. 43)
(…)
(…)
Ik heb bij de Alliantie nog wel gevraagd om een onafhankelijk persoon om die overlast waar
(…)
(…)
Op vragen van mr. Knaap:
U vraagt mij of ik overlast ervaar van de familie [geïntimeerden] . Ja, ik heb last van hen, met
U vraagt mij of er sprake is geweest van ontwikkeling van de overlast. In het begin, toen wij
(…)
U vraagt mij naar de frequentie van de overlast. Er is vaker overlast dan dat ik geklaagd heb.
Toen wij er kwamen wonen woonde de familie [geïntimeerden] er al. Wij waren eerste bewoners,
Die verklaring, zeker ook bezien in samenhang met de in contra-enquête afgelegde getuigenverklaring van mw. [E] , de buurvrouw aan de andere zijde van [geïntimeerden] , versterkt juist het voorshands geleverde bewijs dat sprake is van frequente en ernstige overlast. Het hof merkt daarbij op dat de wijze waarop [B] en [E] hun verklaringen hebben afgelegd, zowel tijdens het pleidooi als in het getuigenverhoor, een authentieke indruk maakte en dat het hof niet de indruk heeft gekregen dat zij hun beleving van de overlast in hun verklaringen hebben overdreven. Het hof merkt in dat verband op dat beiden hebben verklaard dat de laatste periode de overlast minder is en dat [E] zelfs heeft verklaard dat de huidige mate van overlast niet onacceptabel is.
Daarbij valt bij zijn verklaring op dat hij er in geen enkel opzicht blijk van geeft dat het gedrag van zijn gasten wel eens overlast voor omwonenden kan veroorzaken, zelfs niet bij feesten. Dat komt het hof niet geloofwaardig voor en lijkt te getuigen van een gebrek aan reflecterend vermogen.
Het hof merkt hierbij op dat ook uit de verklaring van de in contra-enquête gehoorde mevrouw [F] (eveneens geen naaste buurvrouw) naar voren komt dat de overlast die zij in haar woning ervaart minder intens is dan zoals [B] en [E] die ervaren. Overigens komt uit de verklaring van [F] naar voren dat zij anders dan [D] wel overlast ervaart. Zo verklaart zij zelfs dat haar (inmiddels overleden) echtgenoot beneden ging slapen omdat hij daar minder last had van het geluid afkomstig van [geïntimeerden] .
Evenzeer dient het voor rekening van [geïntimeerden] te worden gelaten dat hij er (kennelijk) voor heeft gekozen om niet de wijkagent te horen over de door de politie gedane waarnemingen, hetgeen voor de hand gelegen zou hebben indien de overlast zoals door de politie verschillende malen waargenomen en gemuteerd, in een ander licht zouden moeten worden gezien.
Het hof stelt vast dat in het onderhavige onderzoek Geluidsconsult ook 55dB heeft gehanteerd als grenswaarde voor het maximale geluid en dat volgens het rapport het geluid afkomstig van [geïntimeerden] die grenswaarde in de meetperiode 26 maal heeft overschreden.
Het hof verwijst daarvoor naar het tussenarrest onder rov. 5.11:
ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
grief III, die is gericht tegen het passeren door de kantonrechter van het bewijsaanbod van De Alliantie, heeft De Alliantie geen belang meer. In het slagen van grief II ligt besloten dat ook
grief IV(genummerd als VI), die betrekking heeft op de proceskosten, slaagt.
3.De slotsom
twee maandenna betekening van dit arrest te ontruimen en de woning met aan- en toebehoren ter vrije en algehele beschikking van De Alliantie te stellen, dit onder afgifte van de sleutels, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder kan worden bewerkstelligd met behulp van de sterke arm conform het beginsel in artikel 555 e.v. in verbinding met artikel 444 Rv Pro;