Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
1.Het geding in eerste aanleg
3.De feiten
4.De motivering van de beslissing
wettelijk kader
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gehuwd sinds 2010 en voeren een lopende echtscheidingsprocedure. Zij oefenen gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige kind, geboren in 2014. De moeder is door de voorzieningenrechter veroordeeld om met het kind terug te verhuizen naar een woning nabij de voormalige echtelijke woning, en de hoofdverblijfplaats van het kind is bij de vader vastgesteld.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking waarin de hoofdverblijfplaats bij de vader is vastgesteld en verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beschikking. Tevens verzocht zij om een raadsonderzoek om de belangen van het kind te laten onderzoeken.
Het hof overweegt dat de moeder geen belang heeft bij schorsing omdat de voorlopige voorziening uit het kort geding blijft gelden, waarbij het kind aan de vader is toevertrouwd. Het verzoek om een raadsonderzoek wordt afgewezen omdat het belang van het kind dit niet vereist en het standpunt van de vader nog niet bekend is.
De moeder wordt veroordeeld in de proceskosten van de schorsingsprocedure, omdat het hof oordeelt dat zij deze procedure nodeloos heeft aangespannen. De kosten worden vastgesteld op €2.472,- inclusief griffierecht en advocaatkosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing en het verzoek om een raadsonderzoek af en veroordeelt de moeder in de proceskosten.