ECLI:NL:GHARL:2019:6020
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen voorwaardelijke ontbinding arbeidsovereenkomst en billijke vergoeding
De zaak betreft een hoger beroep van een werknemer tegen de voorwaardelijke ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst door de werkgever Fositrans B.V., twee maanden voor het einde van de bepaalde tijd. De ontbinding is afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter over de geldigheid van het ontslag op staande voet wegens vermeende werkweigering.
De werknemer werkte als schipper op een binnenvaartschip en had herhaaldelijk geklaagd over gebreken aan het schip. Op 25 juli 2018 werd hij op staande voet ontslagen wegens werkweigering nadat hij zich ziek had gemeld. De kantonrechter oordeelde dat de ontbinding op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) met ingang van 1 februari 2019 gerechtvaardigd was, maar stelde de zaak aan voor bewijs over het ontslag op staande voet.
Het hof stelt vast dat de ontbinding ten onrechte is uitgesproken omdat niet is gebleken van een onaanvaardbare vertraging bij gelijktijdige beslissing over beide verzoeken, zoals vereist door de jurisprudentie. Het hof benadrukt dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is omdat de bepaalde tijd is verstreken, maar dat een billijke vergoeding kan worden toegekend. De hoogte van die vergoeding wordt voorlopig vastgesteld op €9.048,- bruto, bestaande uit gemist loon en een bedrag als genoegdoening.
De zaak wordt aangehouden in afwachting van het oordeel over het ontslag op staande voet, waarbij het hof wil voorkomen dat er onnodig gesplitst wordt geprocedeerd. Partijen worden verzocht het hof te informeren over verdere ontwikkelingen of het intrekken van het hoger beroep.
Uitkomst: De voorwaardelijke ontbinding is ten onrechte uitgesproken; de zaak wordt aangehouden voor verdere afhandeling van de billijke vergoeding in afwachting van het oordeel over het ontslag op staande voet.