In november 1998 sloot appellant een opstalverzekering af bij de rechtsvoorganger van ASR, waarbij hij vragen over zijn strafrechtelijk verleden onjuist beantwoorde. Appellant had een strafrechtelijk verleden met onder meer een onherroepelijke veroordeling in 2000 wegens drugsdelicten. Na een brand in 2008 weigerde ASR uitkering wegens verzwijging en misleiding.
De rechtbank wees de vordering van appellant af wegens verjaring, maar het hof stelde vast dat de verjaring door appellant was gestuit. Het hof oordeelde dat appellant het strafrechtelijk verleden had verzwegen en dat dit relevant was voor de verzekeraar. Echter, ASR kon onvoldoende aantonen dat appellant met opzet tot misleiding handelde.
Vervolgens onderzocht het hof of een redelijk handelend verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken de verzekering zou hebben gesloten. ASR stelde dat zij dat niet zou hebben gedaan, maar kon dit niet onderbouwen met stukken over het acceptatiebeleid uit 1998. Het hof gaf partijen opdracht om aanvullende stukken te overleggen en stelde de zaak aan voor verdere aktenwisseling en beslissing.