Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de vervangende toestemming tot erkenning van het vaderschap van een kind geboren in 2013. De man heeft de rechtbank verzocht om vervangende toestemming voor erkenning, nadat de moeder voorwaardelijke toestemming aan een ander had gegeven. De rechtbank verleende deze toestemming en het hof behandelt het hoger beroep van de vrouw tegen deze beslissing.
De vrouw betwist dat de erkenning door de ander als voorwaardelijk moet worden aangemerkt en voert aan dat de belangenafweging niet zorgvuldig is gemaakt. Het hof verwijst naar vaste jurisprudentie dat toestemming van de moeder aan een ander na indiening van het verzoek van de biologische vader als voorwaardelijk geldt. De belangenafweging volgens artikel 1:204 lid 3 BW Pro vereist dat toestemming wordt verleend tenzij dit de belangen van de vrouw of het kind schaadt.
De vrouw stelde dat de erkenning stress en onrust veroorzaakte, maar het hof oordeelt dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit de belangen van het kind schaadt. De emotionele bezwaren van de vrouw zijn onvoldoende om het verzoek af te wijzen. Het hof weegt mee dat de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming de toestemming ondersteunen.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en beveelt statusvoorlichting aan het kind over het biologische vaderschap. De dagelijkse vader blijft de persoon die het kind erkende en gezag uitoefent.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vervangende toestemming tot erkenning van het vaderschap door de man en beveelt statusvoorlichting aan het kind.