ECLI:NL:GHARL:2019:4854
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Wijma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing dwangsombesluit na intrekking door officier van justitie
In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen de beslissing van de kantonrechter Limburg die het beroep van betrokkene tegen het intrekken van een dwangsombesluit ongegrond verklaarde. Betrokkene had beroep ingesteld tegen een inleidende beschikking en na een verlenging van de beslistermijn werd het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Vervolgens werd een dwangsom toegekend wegens overschrijding van de beslistermijn, maar deze werd een dag later door de officier van justitie ingetrokken vanwege een evidente vergissing.
De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de intrekking onterecht was en dat de kantonrechter ten onrechte niet had beoordeeld of het beroep kennelijk ongegrond was verklaard. Ook werd gesteld dat de intrekking een benadeling van €120,- betekende en dat er onterecht geen immateriële schadevergoeding werd toegekend.
Het hof stelde vast dat de beslissing van de officier van justitie om het beroep kennelijk ongegrond te verklaren onherroepelijk was geworden omdat er geen beroep tegen was ingesteld. Op grond hiervan hoefde de kantonrechter niet te toetsen of die beslissing juist was. De bevoegdheid van de officier van justitie om het dwangsombesluit in te trekken werd bevestigd, mits binnen de grenzen van de beginselen van behoorlijk bestuur. Het hof oordeelde dat door de intrekking geen beginselen van behoorlijk bestuur waren geschonden en dat de intrekking redelijk was.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg en hoger beroep was overschreden, waardoor artikel 6 EVRM Pro was geschonden. Gezien de geringe hoogte van de dwangsom werd volstaan met deze vaststelling zonder verdere sancties. Het hof bevestigde daarom het oordeel van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de afwijzing van het beroep tegen het intrekken van de dwangsom en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.