In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer had beëindigd. Het hof nam het bewijs van diverse getuigenverklaringen in overweging, waarbij de verklaringen over de beëindiging van het contract uiteenliepen. De werkgever kon niet overtuigend aantonen dat hij de arbeidsovereenkomst had beëindigd.
De getuigenverklaringen toonden aan dat er weliswaar bijeenkomsten waren waarin werd gesproken over overgang naar een andere werkgever, Apollo personeelsdiensten, maar dat niet duidelijk was dat de arbeidsovereenkomst met de oorspronkelijke werkgever formeel was beëindigd. De enige getuige die sprak over een ontslagbrief kon dit niet onderbouwen met documenten.
Het hof mat de wettelijke verhoging op de achterstallige loonbetaling tot 10% en stelde het bedrag aan niet-genoten vakantiedagen vast op €1.253,12 bruto. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag en de kosten van het hoger beroep. Hiermee werd het vonnis van de rechtbank grotendeels bekrachtigd, met enkele aanpassingen.