ECLI:NL:GHARL:2019:2841

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 maart 2019
Publicatiedatum
29 maart 2019
Zaaknummer
200.250.996
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 RvArt. 8 EVRMArt. 1:82 BWArt. 1:265b BWJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige ondanks bezwaar stiefmoeder

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind verleende. De vader, die in voorlopige hechtenis zit vanwege verdenking van voorbereiding van een terroristisch misdrijf, en de stiefmoeder, die het kind verzorgde, waren appellanten. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om bekrachtiging van de machtiging.

Het hof oordeelde eerst dat de stiefmoeder ontvankelijk is als belanghebbende, omdat zij een nauwe persoonlijke band (family life) met het kind heeft en een actieve rol vervult in de verzorging en opvoeding, ondanks het ontbreken van gezag. Vervolgens werd vastgesteld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van het kind, mede vanwege de afwezigheid van de vader en het dreigingsbeeld dat veiligheidsmaatregelen vereist.

De moeder onderhoudt wekelijks contact met het kind, maar is momenteel onvoldoende in staat een veilig en continu opvoedingsklimaat te bieden. Daarom is plaatsing bij de moeder geen alternatief. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en bevestigde de uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing van het kind en erkent de stiefmoeder als ontvankelijke belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.250.996
(zaaknummer rechtbank Gelderland 343644)
beschikking van 28 maart 2019
inzake
[de vader],
verblijvende in de penitentiaire inrichting (p.i.) te [plaats] ,
verder te noemen: de vader,
en
[de stiefmoeder],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de stiefmoeder,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. F.W. Oehlen te Beek,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder],
wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.J.H.M. Achten te Zwolle.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 oktober 2018 en 19 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 19 oktober 2018 zal hierna de bestreden beschikking worden genoemd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie 6, ingekomen op 11 december 2018;
- het verweerschrift met productie 5.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 14 februari 2019 plaatsgevonden. De vader is verschenen via videoverbinding met de p.i. in [plaats] . De stiefmoeder is in persoon verschenen. De vader en de stiefmoeder zijn bijgestaan door hun advocaat. Namens de GI zijn verschenen [medewerker GI] en [medewerker Jeugdbescherming] van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming. Namens de moeder is mr. L.J.H.M. Achten verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming is [medewerker RvdK] verschenen. Het hof heeft bijzondere toegang verleend aan [medewerker IVO rechtspraak] van IVO rechtspraak en aan een ICT‑medewerker en beveiliger(s) in de p.i. in [plaats] .
2.3
Op de mondelinge behandeling heeft de GI een brief van de hoofdofficier van justitie mr. J.J.A. Lucas van 10 januari 2019 en een proces-verbaal opgenomen gesprekken van 6 december 2018 met bijlagen overgelegd. Deze producties zijn reeds bekend bij de vader, de stiefmoeder en de moeder. Het hof slaat daarom ook acht op de overgelegde producties.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [kind] (hierna: [kind] ), geboren op [geboortedatum] 2012 in [plaats] . De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind] . Na het uiteengaan van de vader en de moeder in het begin van 2017 woonde [kind] bij de moeder. Vanaf mei 2018 woonde [kind] bij de vader en de stiefmoeder. De vader en de stiefmoeder zijn op [huwelijksdatum] 2018 met elkaar gehuwd.
3.2
Bij beschikking van 23 maart 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, [kind] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers tot 23 september 2018.
Bij beschikking van 3 juli 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, (hierna: de kinderrechter) de gecertificeerde instelling vervangen door de GI.
Bij beschikking van 18 september 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 23 september 2019.
3.3
De ondertoezichtstelling wordt feitelijk uitgevoerd door het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming.
3.4
Op 27 september 2018 is de vader aangehouden vanwege de verdenking van het samen met anderen voorbereiden van een terroristisch misdrijf. [kind] is daarna bij de stiefmoeder blijven wonen.
3.5
Bij (tussen)beschikking van 5 oktober 2018 heeft de kinderrechter de GI een (spoed)machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden.
3.6
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [kind] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot uiterlijk 19 februari 2019.
3.7
[kind] verblijft sinds 4 oktober 2018 in een geheim crisispleeggezin.

4.De omvang van het geschil

4.1
De vader en de stiefmoeder zijn met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader en de stiefmoeder verzoeken het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen.
4.2
De GI voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid van de stiefmoeder
5.1
Het hoger beroep is mede door de stiefmoeder ingesteld. Het hof moet daarom beoordelen of de stiefmoeder als belanghebbende dient te worden aangemerkt in de onderhavige procedure en dus ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.
5.2
Ingevolge artikel 798 lid Pro 1, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De rechter die beoordeelt of hiervan sprake is, dient in acht te nemen dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven of privéleven zoals bedoeld in artikel 8 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), er tevens aanspraak op kan maken dat hij in voldoende mate wordt betrokken in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. In een voorkomend geval kan een stiefouder worden aangemerkt als belanghebbende (Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488). De vraag is nu of ten aanzien van de stiefmoeder en [kind] sprake is van familie- en gezinsleven (
family life)in de zin van art. 8 EVRM Pro. Het antwoord daarop vergt een feitelijke beoordeling en is afhankelijk van het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen. Zie Europees Hof voor de Rechten van de Mens 1 juni 2004, ECLI:NL:XX:2004:AQ0337 (Lebbink/Nederland), rov. 33: “(…) The question of the existence or non-existence of “family life” is essentially a question of fact depending upon the existence of close personal ties (…).”. Het hof moet dan ook beoordelen of voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die tot het oordeel kunnen leiden dat tussen de stiefmoeder en [kind] family life in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat. De enkele omstandigheid dat de stiefmoeder geen gezag heeft is daarvoor niet beslissend.
5.3
De moeder heeft vanaf de geboorte van [kind] – al dan niet samen met de vader – de zorg gehad voor [kind] . [kind] is in mei 2018 bij de vader en de stiefmoeder gaan wonen. Op voet van artikel 1:82 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) waren de vader en de stiefmoeder jegens elkaar verplicht [kind] , vanaf het moment dat zij tot hun gezin behoorde, te verzorgen en op te voeden en de kosten van haar verzorging en opvoeding te dragen. Vaststaat dat de stiefmoeder vanaf dat moment ook feitelijk naast de vader een (actieve) rol heeft gespeeld bij de verzorging en opvoeding van [kind] . Na de arrestatie van de vader heeft de stiefmoeder [kind] op verzoek van de GI gedurende negen dagen alleen verzorgd en opgevoed. Het hof oordeelt dat deze omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat tussen de stiefmoeder en [kind] family life in de zin van artikel 8 EVRM Pro is ontstaan en dat zij, nu de uithuisplaatsing een inbreuk maakt op dit family life, bij de besluitvorming dient te worden betrokken. Het hof merkt de stiefmoeder aan als belanghebbende, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.
De uithuisplaatsing
5.4
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5
Het hof is van oordeel dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [kind] .
Nu de vader in voorlopige hechtenis verblijft, is hij feitelijk niet in staat om voor [kind] te zorgen. De hoofdofficier van justitie heeft veiligheidsmaatregelen getroffen vanwege het dreigingsbeeld dat bestaat ten aanzien van de moeder en [kind] . Dit betekent dat er op dit moment geen contact kan zijn tussen [kind] en de vader en tussen [kind] en personen uit het netwerk van de vader. Daarbij is mede van belang dat van [kind] , gelet op haar jonge leeftijd, niet verwacht kan worden dat zij informatie over de getroffen veiligheidsmaatregelen geheimhoudt. Gelet hierop is een rol voor de stiefmoeder bij de verzorging en opvoeding van [kind] op dit moment ook niet mogelijk.
Gebleken is dat [kind] en de moeder wekelijks contact hebben en dat onderzocht wordt of de moeder met de inzet van hulpverlening op termijn in staat is [kind] een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind] zijn gewaarborgd. Op dit moment is de moeder daartoe (nog) onvoldoende in staat, zodat ook een plaatsing bij de moeder niet mogelijk is als alternatief voor een uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg. Het hof acht deze uithuisplaatsing daarom noodzakelijk.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 oktober 2018.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Stolwerk, J.H. Lieber en A.E.B. ter Heide, bijgestaan door mr. H. Bouhuys als griffier, en is op 28 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.