Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
2.De motivering van de beslissing in het incident
3.De slotsom
4.De beslissing
26 maart 2019voor memorie van grieven;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een incidentele vordering tot voeging van twee zaken tussen verschillende partijen toegewezen. De zaken betreffen een appellant met een varkensvermeerderingsbedrijf en een geïntimeerde die gelten leverde, alsmede een derde partij, een dierenartsenpraktijk die medische zorg verleende aan de dieren. De rechtbank had eerder beide zaken afzonderlijk behandeld en de vorderingen van appellant grotendeels afgewezen, terwijl hij werd veroordeeld tot betaling van openstaande facturen.
De appellant had verzocht om de hoofdzaak te verwijzen naar de rechter die het hoger beroep in de andere zaak behandelt, dan wel de zaken te voegen op grond van artikel 222 Rv Pro. Het hof oordeelde dat de feitencomplexen deels overeenkomen en dat er sprake is van verknochte zaken, ondanks dat de juridische aspecten niet volledig gelijk zijn. Om het procesverloop beter op elkaar af te stemmen en het risico op uiteenlopende beslissingen te beperken, werd de voeging toegewezen.
Het hof bepaalde dat de zaken met zaaknummers 200.252.721 en 200.245.536 worden gevoegd en stelde de beslissing over de kosten van het incident uit tot het eindarrest. Tevens werd de hoofdzaak verwezen naar de roldatum voor memorie van grieven op 26 maart 2019, waarbij de termijn daarvoor is doorlopen in afwachting van de beslissing over het incident.
Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering tot voeging van de zaken toe en verwijst de hoofdzaak naar de roldatum voor memorie van grieven.