Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[echtgenote] , echtgenote en erfgename van de overleden[geïntimeerde 1] ,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon
advocaat: mr. G.W.J. van Dijke,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen broers over pachtpercelen en de ontbinding van een pachtovereenkomst met het waterschap. De vader van de broers pachtte sinds 1967 diverse percelen, waarna de broers in een maatschap de pacht voortzetten. Na beëindiging van de maatschap en het overlijden van de vader ontstond onenigheid over de exploitatie en pacht.
De pachtkamer oordeelde dat appellant geen bedrijfsmatige agrarische onderneming drijft en daarom tekortschiet in zijn verplichtingen, wat rechtvaardigt dat hij wordt ontslagen uit de medepacht en de pachtovereenkomst wordt ontbonden. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst ook de vorderingen van appellant tot vastlegging van een reguliere pachtovereenkomst en schadevergoeding af.
Appellant stelde plannen te hebben voor een schapenhouderij of zoogkoeien, maar kon dit onvoldoende onderbouwen en heeft sinds 2012/2013 geen concrete stappen gezet. Het waterschap heeft terecht geen nieuwe pachtovereenkomst gesloten vanwege het ontbreken van bedrijfsmatige exploitatie. De kosten van het hoger beroep worden aan appellant opgelegd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het ontslag van appellant uit de medepacht wegens het niet drijven van een bedrijfsmatige agrarische onderneming en wijst zijn vorderingen af.