Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het huwelijk van partijen is in 2019 ontbonden. De rechtbank had eerder de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld en de man was tegen die beschikking in hoger beroep gekomen. Het hof behandelt het hoger beroep over de partneralimentatie, waarbij de vrouw niet-ontvankelijk was verklaard in haar hoger beroep over de echtscheiding.
De kern van het geschil betreft de ingangsdatum van de alimentatie, de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid en de duur van de alimentatieverplichting. Het hof stelt de ingangsdatum vast op 30 juli 2019, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De behoefte van de vrouw wordt vastgesteld op basis van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen in 2016, het laatste representatieve jaar van het huwelijk, en niet 2017, omdat partijen toen al gescheiden leefden.
De man had bonussen die verplicht waren om te investeren in bedrijfsaandelen, waardoor deze niet meetellen voor het netto besteedbaar inkomen. De vrouw heeft een beperkte verdiencapaciteit vanwege haar psychische gesteldheid en zorgtaken, waardoor zij vanaf 30 juli 2019 € 500 netto per maand kan verdienen, oplopend naar het minimumloon vanaf september 2020. De aanvullende behoefte wordt berekend op € 2.898 netto per maand vanaf 30 juli 2019 en € 2.043 netto per maand vanaf september 2020.
Het hof verkort de wettelijke termijn van twaalf jaar partneralimentatie tot 28 februari 2031 omdat de vrouw de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking bewust heeft vertraagd. De man wordt veroordeeld tot betaling van de alimentatiebedragen vanaf genoemde data en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man moet vanaf 30 juli 2019 partneralimentatie betalen met een verkorte termijn tot 28 februari 2031 wegens bewuste vertraging door de vrouw.