Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
[Z](hierna: belanghebbende)
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Den Haag(hierna: de Inspecteur) en
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende was van 2010 tot en met 2013 werkzaam op een binnenvaartschip dat in Nederland geregistreerd stond, maar zonder Rijnvaartverklaring was voor een groot deel van die periode. De Inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op zonder vrijstelling voor premieheffing over de jaren 2010-2013, terwijl belanghebbende zich beroept op een Luxemburgse E101-verklaring en stelt niet premieplichtig te zijn in Nederland.
De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen ongegrond, maar het hof vernietigt dit oordeel voor het jaar 2013 en vermindert de aanslag en belastingrente dienovereenkomstig. Het hof oordeelt dat belanghebbende in Nederland verzekerd is op grond van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst, en dat de E101-verklaring van Luxemburg niet bindend is voor Nederlandse autoriteiten. Ook is de Inspecteur bevoegd aanslagen op te leggen ondanks het ontbreken van een formeel besluit over verzekeringsplicht.
Verder oordeelt het hof dat de in Luxemburg betaalde premies geen beletsel vormen voor Nederlandse premieheffing en dat naheffingen aan de werkgever niet als voorheffing bij belanghebbende kunnen worden verrekend. Tot slot wordt belanghebbende een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim tweeënhalf jaar, en worden proceskosten en griffierechten deels vergoed.
Uitkomst: Het hof vernietigt de uitspraak voor 2013 en vermindert de aanslag premie volksverzekeringen, bevestigt de rest, en veroordeelt Inspecteur en Staat tot vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.