Uitspraak
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond centraal of een contante betaling door geïntimeerde was verricht. Het hof verwees naar een eerder arrest van 13 maart 2018 waarin werd geoordeeld dat geïntimeerde het bewijs van betaling had geleverd, maar dat dit oordeel kon wijzigen indien appellant aanvullend tegenbewijs zou leveren.
Appellant stelde dat de getuige [C] bij de kantonrechter onwaarheden had verklaard, onder meer omdat zij volgens haar LinkedIn-profiel pas na de datum van betaling in dienst was getreden en omdat zij mogelijk een valse verklaring had afgelegd. Het hof stelde appellant in de gelegenheid om deze getuige te horen.
De getuige verklaarde dat zij vanaf januari 2013 op vrijwillige basis werkte bij geïntimeerde en vanaf mei 2013 in dienst trad. Zij ontkende dat haar geld was beloofd voor een valse verklaring en lichtte haar werkzaamheden en de datum op de factuur toe. Het hof achtte haar verklaring betrouwbaar en zag geen reden om aan het bewijs van betaling te twijfelen.
Het hof maakte definitief het oordeel dat geïntimeerde de contante betaling had bewezen en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de contante betaling is bewezen en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.