Uitspraak
[verzoeker],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden naar aanleiding van uitlatingen tijdens een comparitie van partijen op 16 april 2018 en de beslissing van de voorzitter om het proces-verbaal van die comparitie niet aan te passen.
Het hof oordeelt dat het wrakingsverzoek voor zover het betrekking heeft op de uitlatingen op de comparitie niet tijdig is ingediend, aangezien het verzoek pas op 11 juni 2018 werd ingediend terwijl de feiten reeds op 16 april 2018 bekend waren. Ook is niet gesteld dat er omstandigheden waren die eerdere indiening in de weg stonden, waardoor dit deel van het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor zover het wrakingsverzoek ziet op de beslissing van de voorzitter om het proces-verbaal niet aan te passen, wordt het verzoek tegen de andere raadsheren niet-ontvankelijk verklaard omdat dit verzoek niet tegen hen was gericht. De wrakingskamer beoordeelt inhoudelijk het verzoek tegen de voorzitter en concludeert dat de afwijzing van het verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
Daarmee wijst het hof het wrakingsverzoek tegen de voorzitter af en verklaart het verzoeker niet-ontvankelijk voor de overige onderdelen van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het merendeel en het deel tegen de voorzitter wordt afgewezen.