In deze zaak in hoger beroep gaat het om de toepassing van het Afghaans recht op de vermogensverdeling tussen partijen na hun huwelijk en de verrekening van lasten inzake hun voormalige gezamenlijke woning. Het hof bevestigt het deskundigenadvies dat onder Afghaans recht, regio Kabul, een strikte scheiding van vermogens geldt tijdens het huwelijk, zonder vermogensrechtelijke gevolgen bij ontbinding tenzij anders overeengekomen.
De man stelde dat roerende zaken die tijdens het huwelijk gezamenlijk of door de vrouw zijn verworven als bruidsschat aan hem toebehoren, maar dit verzoek werd als een vermeerdering van het beroep afgewezen wegens strijd met de goede procesorde en onvoldoende onderbouwing. Het hof volgt de rechtbank in de verdeling van de roerende zaken, auto's en bankrekeningen.
Verder oordeelt het hof dat op grond van Nederlands recht de vrouw recht heeft op een gebruiksvergoeding voor het wonen in de voormalige gezamenlijke woning, vastgesteld op € 11.511,86, welke wordt verrekend met haar aanspraak op de helft van de woonlasten. Het verzoek van de vrouw tot betaling van de helft van de overlijdensrisicoverzekering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van koppeling aan de hypotheek. Tot slot worden de kosten van het deskundigenonderzoek gelijkelijk verdeeld en worden de proceskosten in beide instanties gecompenseerd.