Op 24 mei 2016 vond een poging tot woninginbraak plaats aan een woning in een woonwijk. Kort na de poging werden verdachte en twee medeverdachten aangetroffen in de nabijheid van de woning, in omstandigheden die duiden op betrokkenheid bij de poging inbraak. Diverse getuigen zagen de verdachten in de buurt en meldden verdachte gedragingen, waaronder het gebruik van een breekijzer om de voordeur te forceren.
De verdachte ontkende betrokkenheid en maakte gebruik van zijn zwijgrecht, maar het hof achtte op basis van de bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en de samenhangende gedragingen van de verdachten, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van de poging tot woninginbraak. De precieze rolverdeling kon niet worden vastgesteld vanwege het ontbreken van verklaringen van de verdachten.
Het hof oordeelde dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Gezien de ernst van het feit, de georganiseerde wijze van handelen en eerdere veroordelingen van verdachte, werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Een taakstraf werd afgewezen vanwege de ernst van het delict.