Belanghebbende, een vastgoedonderneming gespecialiseerd in monumenten, bracht in haar btw-aangiften over 2011 en 2012 de volledige voorbelasting in aftrek, ook over een monumentenpand dat tot april 2012 leegstond en daarna belast verhuurd zou zijn aan een verbonden vennootschap. De inspecteur legde naheffingsaanslagen en vergrijpboetes op wegens onterechte aftrek van voorbelasting.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de boetes en mat deze, maar wees het beroep verder af. Belanghebbende ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat tijdens leegstand geen recht op aftrek bestaat zonder objectief bewijs van voornemen tot belaste verhuur. Belanghebbende kon dit niet aannemelijk maken. Ook stelde het hof vast dat de verhuur aan de verbonden vennootschap niet aannemelijk belast was, mede vanwege late facturering en onjuiste tenaamstelling.
Het hof vernietigde daarom de boete over 2011 wegens pleitbaar standpunt, maar mat de boete over 2012 verder vanwege grove schuld van de bestuurder die onvoldoende toezicht hield op de fiscale aangiften. De naheffingsaanslagen werden bevestigd. Tevens veroordeelde het hof de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.