ECLI:NL:GHARL:2018:2687

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
20 maart 2018
Zaaknummer
200.210.461/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 361 lid 3 SvArt. 421 lid 4 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van benadeelde partij in hoger beroep wegens onjuiste forumkeuze

In deze civiele procedure in hoger beroep heeft de benadeelde partij, appellant, zich gewend tegen het vonnis van de politierechter waarin zijn schadevordering deels werd toegewezen en deels niet-ontvankelijk werd verklaard. De politierechter veroordeelde de geïntimeerde tot een taakstraf wegens poging tot zware mishandeling en kende aan appellant een schadevergoeding toe van € 650,-, terwijl het overige deel van de vordering werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Appellant stelde dat het hoger beroep tegen het gehele vonnis ontvankelijk moest worden verklaard, verwijzend naar artikel 421 lid 4 Sv Pro, omdat de politierechter mondeling een inhoudelijke motivering had gegeven voor de afwijzing. Het hof oordeelde echter dat de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering door de politierechter conform artikel 361 lid 3 Sv Pro betekent dat het deel van de vordering boven de € 650,- niet bij het hof kan worden behandeld, maar bij de bevoegde burgerlijke rechter moet worden ingediend.

Het hof verwierp het betoog van appellant dat de niet-ontvankelijkverklaring moest worden uitgelegd als een afwijzing, omdat dit de rechtszekerheid zou schaden. Het verzoek om het geding door te verwijzen naar de bevoegde kantonrechter werd afgewezen. Uiteindelijk verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep en veroordeelde hem in de kosten van de procedure.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.210.461/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 18-208839-16)
arrest van 20 maart 2018
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. H.J. van Balen, kantoorhoudend te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. P.N. Huisman, kantoorhoudend te Groningen.

1.Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de aantekening mondeling vonnis van 2 februari 2017 dat de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 februari 2017,
- de memorie van grieven (met producties),
- de memorie van antwoord (met producties),
- een akte uitlating producties aan de zijde van appellant.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3.
De beoordelingDe ontvankelijkheid
3.1
De officier van justitie heeft [geïntimeerde] vervolgd voor poging tot zware mishandeling. Dit heeft geleid tot het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 februari 2017, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
3.2
[appellant] heeft zich in deze strafzaak als benadeelde partij gevoegd en schadevergoeding ter hoogte van € 3.150,- gevorderd. De politierechter heeft de vordering van [appellant] toegewezen tot een bedrag van € 650,-, bestaande uit € 150,- materiële schade en € 500,- immateriële schade. In het overige deel van zijn vordering is [appellant] door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard.
3.3
[appellant] heeft tegen het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld en vordert kort gezegd - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 3.150,- vermeerderd met rente en proceskosten.
3.4
De niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering komt in het wetboek van strafvordering aan de orde in artikel 361 lid Pro 3. Daar is bepaald:
"Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen."
3.5
Nu de politierechter de vordering van [appellant] voor het deel uitgaande boven de € 650,- niet-ontvankelijk heeft verklaard dient [appellant] derhalve ingevolge voornoemd artikel 361 lid 3 Sv Pro de vordering aan te brengen bij de bevoegde rechtbank. Nu de vordering van [appellant] niet op inhoudelijke gronden is
afgewezenmaar door de politierechter gedeeltelijk
niet-ontvankelijkis verklaard is het hof niet bevoegd van de door [appellant] ingestelde vordering kennis te nemen. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat [appellant] niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
3.6
De rolraadsheer heeft [appellant] bij brief van 5 februari 2018 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over bovenstaande constateringen en de gevolgen daarvan voor de onderhavige procedure.
3.7
Bij inhoudelijk nagenoeg identieke faxberichten van 12 februari 2018 en 16 februari 2018, heeft [appellant] zich - naar het hof begrijpt - op het standpunt gesteld dat, ondanks het feit dat hij in het vonnis van 2 februari 2017 gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard, niettemin sprake is van een gedeeltelijke afwijzing, nu de politierechter de afwijzing van de eis ter zitting mondeling inhoudelijk gemotiveerd heeft. Aldus stelt [appellant] dat zich de situatie van artikel 421 lid 4 Sv Pro voordoet - welke bepaling kort weergegeven inhoudt dat de benadeelde partij tegen het deel van het vonnis waarin de vordering is
afgewezenin hoger beroep kan komen bij het gerechtshof - waardoor hij in zijn hoger beroep kan worden ontvangen.
3.8
Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Het betoog van [appellant] komt er op neer dat de uitspraak van de politierechter nader zou moeten worden uitgelegd en dat eerst na die uitleg mogelijk duidelijk is welke weg voor de benadeelde partij nog open staat om zijn niet toegewezen vordering aan een rechter voor te leggen. Naar het oordeel van het hof zou daarmee echter de rechtszekerheid in het gedrang komen (vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:147). Naar het hof in dit arrest heeft overwogen moeten de termen "
afgewezen" en "
afwijzing" in artikel 421 lid 4 Sv Pro beperkt worden uitgelegd, zij omvatten niet "
niet-ontvankelijk verklaard" en "
niet-ontvankelijkverklaring". Voor conversie van een niet-ontvankelijkverklaring in een afwijzing ziet het hof dan ook geen reden, zo dat al mogelijk zou zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654). Het hof verwerpt dan ook het betoog van [appellant] dat gekeken moet worden naar wat de politierechter heeft beoogd te oordelen en niet naar de bewoordingen van diens vonnis.
3.9
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.
3.1
Voor het verzoek van [appellant] het geding in de stand waarin het zich bevindt ter verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de bevoegde kantonrechter, bestaat geen wettelijke grondslag. Dit verzoek wordt derhalve afgewezen. Uiteraard staat het [appellant] vrij zijn vordering zelf bij de bevoegde rechtbank aanhangig te maken.
3.11
[appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep (1 punt, tarief I).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
20 maart 2018.